ECLI:NL:RVS:2026:1262

Raad van State

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
BRS.26.000826
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen vernietiging besluit machtiging voorlopig verblijf

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 8 augustus 2022 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Na een bezwaarprocedure heeft de rechtbank op 26 januari 2026 dit besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om de uitvoering van het vonnis van de rechtbank op te schorten totdat het hoger beroep is beslist.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat de minister zijn belang bij het treffen van een voorlopige voorziening niet heeft toegelicht. Er zijn geen aanwijzingen voor vergoeding van proceskosten.

De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter B. Meijer op 6 maart 2026.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het belang van de minister niet is toegelicht.

Uitspraak

BRS.26.000826
Datum uitspraak: 6 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 26 januari 2026 in zaak nr. NL24.20594 in het geding tussen:
[betrokkene A] en [betrokkene B]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 8 augustus 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 22 april 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen twaalf weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar neemt.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2.        De voorzieningenrechter treft geen voorlopige voorziening. De minister heeft zijn belang bij het treffen van een voorlopige voorziening namelijk niet toegelicht.
3.        Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten, is de Afdeling niet gebleken.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Meijer
voorzieningenrechter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026
1028