ECLI:NL:RVS:2026:1280

Raad van State

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
202404005/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:47 AwbArt. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking verblijfsvergunningen na hoger beroep

Appellanten, waaronder minderjarige kinderen, maakten bezwaar tegen de intrekking van hun verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De rechtbank Den Haag vernietigde dit besluit echter en bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.

Appellanten stelden hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming en zag daarom geen aanleiding tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank.

Ook werd geen deskundige benoemd voor nader onderzoek. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde daarmee het vonnis van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunningen wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202404005/1/V3.
Datum uitspraak: 5 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant A], [appellant B] en mede voor hun minderjarige kinderen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 3 juni 2024 in zaak nr. NL21.19974 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 22 april 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellanten verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.
Bij besluit van 25 november 2021, aangevuld bij besluit van 30 november 2022, heeft de staatssecretaris het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 juni 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 november 2021 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. J.E. Jalandoni, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Gelet op wat de Afdeling onder 1 heeft overwogen, ziet zij geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:47 van Pro de Awb een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek.
3.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026
985