ECLI:NL:RVS:2026:1294

Raad van State

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
202405170/1/R3 en 202405170/18/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • N.H. van den Biggelaar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 13.3 planregels
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen bestemmingsplan Segaar-Arsenaal wegens onvoldoende bewijs wateroverlast

De raad van de gemeente Voorschoten stelde op 4 juli 2024 het bestemmingsplan Segaar-Arsenaal vast, dat de bouw van maximaal 100 woningen mogelijk maakt op het voormalige tuincentrumterrein aan de Leidseweg. Omwonenden, waaronder verzoeker, maakten bezwaar vanwege zorgen over toename van wateroverlast, omdat de grondwaterstand bij hun woningen al hoog is en zij vrezen dat het plan de situatie zal verslechteren.

Verzoekers betoogden dat de onderliggende geohydrologische memo van Tjaden ondeugdelijk is, omdat deze in opdracht van de projectontwikkelaar is opgesteld en niet onafhankelijk zou zijn. Ook stelden zij dat de effecten van tijdelijke waterpeilstijgingen onvoldoende zijn onderzocht en dat er feitelijke onjuistheden in de memo staan.

De raad stelde dat het plan geen toename van grondwaterstand of wateroverlast veroorzaakt, mede omdat het Hoogheemraadschap van Rijnland de onderzoeken heeft goedgekeurd en de planregels voorzien in watercompensatie. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de memo wel degelijk als deskundig kan worden beschouwd en dat de raad aannemelijk heeft gemaakt dat het plan niet zal leiden tot verergering van wateroverlast. De stellingen van verzoekers werden onvoldoende onderbouwd geacht.

De Afdeling concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen het bestemmingsplan Segaar-Arsenaal wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

202405170/1/R3 en 202405170/18/R3.
Datum uitspraak: 6 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het beroep, in het geding tussen:
[verzoeker], wonend in Voorschoten, en anderen,
verzoekers en appellanten,
en
de raad van de gemeente Voorschoten,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 4 juli 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Segaar-Arsenaal" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen beroep ingesteld.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[partij A] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 24 februari 2026, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. G.G. Kranendonk en [persoon], en de andere omwonenden, vertegenwoordigd door [verzoeker], en de raad, vertegenwoordigd door mr. D.R. Kuijpers en ing. J.J. Engelbert-Medendorp, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij B], vertegenwoordigd door mr. J.J. Turenhout, advocaat te Den Haag, vergezeld door A.R. Jongerius MSc en [personen], als partij gehoord.
Partijen hebben toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Dit geldt ook voor de omwonenden die samen met [verzoeker] beroep hebben ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1.       Het plan maakt maximaal 100 woningen met de bijbehorende infrastructuur en voorzieningen mogelijk in het noordelijke deel van de gemeente Voorschoten op het Segaar-Arsenaal terrein aan de Leidseweg. Voorheen was hier een tuincentrum gevestigd.
2.       [verzoeker] en anderen wonen ten westen van het plangebied aan de Leidseweg. Zij maken zich zorgen dat de bestaande wateroverlast aan de Leidseweg zal toenemen als gevolg van het plan. [verzoeker] en anderen wijzen erop dat de grondwaterstand bij hun woningen aan de Leidseweg nu al erg hoog is en voor wateroverlast zorgt in de kruipruimten van de woningen. Volgens [verzoeker] en anderen is iedere toename, hoe klein ook, problematisch. Het gemeentebestuur heeft  de bestaande wateroverlastproblemen in het verleden erkend, er zijn maatregelen aangekondigd, maar deze maatregelen zijn volgens [verzoeker] en anderen tot op heden niet genomen. De woningen aan de Leidseweg stammen uit de jaren ’30 en liggen lager dan de woningen in de bestaande wijk Noord-Hofland die is opgehoogd met zand. Ze zullen ook lager komen te liggen dan de nieuwe wijk Arsenaal-Segaar die met het voorliggende plan mogelijk wordt gemaakt. De bestaande woningen aan de Leidseweg komen hierdoor volgens [verzoeker] en anderen in een kom te liggen, waardoor de mogelijkheden voor waterafvoer volgens hen zullen verslechteren. Vanwege de vrees voor wateroverlast hebben [verzoeker] en anderen beroep ingesteld. [verzoeker] heeft ook een verzoek om voorlopige voorziening gedaan om te voorkomen dat onomkeerbare gevolgen optreden.
Inhoudelijk
3.       [verzoeker] en anderen betogen dat de memo "Geohydrologie ontwikkeling projectgebied Segaar-Arsenaal Voorschoten" van Tjaden van 15 augustus 2023, die aan het plan ten grondslag ligt, ondeugdelijk is. [verzoeker] en anderen voeren aan dat de memo is opgesteld door een deskundige in opdracht van de projectontwikkelaar, waardoor de memo niet onafhankelijk is. Verder voeren zij in de kern aan dat met de memo niet is aangetoond dat er geen wateroverlast zal optreden aan de Leidseweg. Volgens [verzoeker] en anderen staan er feitelijke onjuistheden in de memo en wordt uitgegaan van aannames in plaats van verrichte metingen. Ook voeren zij aan dat de effecten van een tijdelijke waterpeilstijging onvoldoende zijn onderzocht.
3.1.    De raad stelt dat door Tjaden deugdelijk is onderzocht dat verwezenlijking van het plan niet leidt tot een toename van de bestaande relatief hoge grondwaterstanden in de omgeving van het plangebied en niet zal leiden tot een verergering van wateroverlast. De raad wijst er ook op dat het Hoogheemraadschap van Rijnland de aan het plan ten grondslag liggende onderzoeken in het kader van de watertoets akkoord heeft bevonden en de aanbevelingen van het Hoogheemraadschap ten behoeve van de verdere uitwerking door de initiatiefnemer zijn opgevolgd.
3.2.    In de memo van Tjaden van 15 augustus 2023, dat aan het plan ten grondslag ligt, staat dat het plangebied in de huidige situatie grotendeels onverhard is. Dit zorgt ervoor dat vrijwel alle neerslag die in het plangebied valt, ook in het plangebied in de bodem infiltreert. Een relatief klein deel stroomt over het maaiveld af naar de watergangen. In de nieuwe situatie is er een toename aan verharding, maar deze zal niet leiden tot negatieve effecten. Dit komt in de eerste plaats, omdat met het plan - op grond van artikel 13.3 van de planregels - wordt voorzien in de benodigde watercompensatie. In de huidige situatie is er ongeveer 1.300 m2 aan oppervlaktewater aanwezig. In de toekomstige situatie wordt dit met ongeveer 300 m2 uitgebreid tot ongeveer 1.600 m2. Hiermee wordt volgens de raad voorzien in een extra buffer ten opzichte van de benodigde watercompensatie. In de tweede plaats leidt de toename aan verharding in het plangebied niet tot negatieve effecten, omdat de verharding zal worden aangesloten op het hemelwaterriool. In de nieuwe situatie zal de grondwateraanvulling door neerslag in het plangebied daarom altijd lager zijn dan in de huidige situatie. De ontwikkeling waarin het plan voorziet zal dus eerder leiden tot lagere dan hogere grondwaterstanden. Eventuele "afwenteling" van grondwater naar de omgeving zal dan ook minder worden, zo staat in de memo van Tjaden.
Verder staat in de memo van Tjaden dat de Leidseweg zowel in de huidige als de toekomstige situatie van het plangebied wordt gescheiden door een watergang die een drainerende werking heeft, zodat eventuele veranderingen in grondwaterstandsniveau in het projectgebied door de aanwezigheid van de watergang niet zullen doorwerken naar de omgeving. In de memo staat dat het projectgebied door de watergang geohydrologisch is "geïsoleerd" van de omgeving.
3.3.    [verzoeker] en anderen hebben erop gewezen dat de memo van Tjaden in opdracht van de projectontwikkelaar is opgesteld. De Afdeling overweegt dat deze enkele omstandigheid niet betekent dat de memo niet is opgesteld door een onafhankelijk deskundige. Deze omstandigheid betekent daarom niet dat de raad zijn besluit niet mede heeft kunnen baseren op de memo van Tjaden.
Het betoog slaagt niet.
3.4.    Verder is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een verergering van de bestaande wateroverlast aan de Leidseweg. Uit de memo van Tjaden volgt dat de grondwaterstand in het plangebied eerder lager dan hoger wordt, waardoor geen sprake is van afwenteling van grondwater naar de omgeving. Op de zitting heeft Jongerius, die de memo van Tjaden heeft opgesteld, dit nogmaals toegelicht. Over het op de zitting gehouden betoog van [verzoeker] dat een lagere grondwaterstand in het plangebied alleen kan worden gehaald als wordt voorzien in een drainage in het plangebied, overweegt de Afdeling dat Jongerius op de zitting heeft toegelicht dat de grondwaterstand in het plangebied zelf iets hoger zal zijn als geen drainage wordt aangelegd. Maar ook in dat geval zal volgens Jongerius geen verergering van de bestaande wateroverlast optreden aan de Leidseweg, zoals de raad ook heeft verklaard.  Naar het oordeel van de Afdeling hebben [verzoeker] en anderen geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven voor het oordeel dat moet worden gevreesd dat de bestaande wateroverlast aan de Leidseweg zal verergeren als geen drainage in het plangebied wordt aangelegd.
Voor zover [verzoeker] en anderen hebben betoogd dat de effecten van een tijdelijke waterpeilstijging niet juist in kaart zijn gebracht, overweegt de Afdeling dat de raad met verwijzing naar de memo van Tjaden heeft toegelicht waarom ook een tijdelijke waterpeilstijging geen schadelijke invloed heeft op de woningen aan de Leidseweg. Indicatieve berekeningen van Tjaden, uitgevoerd met de formule van Marsily voor plotselinge peilverhogingen, tonen aan dat zelfs na 100 dagen geen significante stijging van de grondwaterstand wordt waargenomen bij de woningen aan de Leidseweg, die zich op een afstand van twintig meter van de watergang bevinden. Tjaden heeft toegelicht dat de formule van Marsily is bedoeld voor het berekenen van het effect op de grondwaterstand van een plotselinge peilverhoging in een watergang. De stelling van [verzoeker] en anderen dat deze formule niet kan worden toegepast volgt de Afdeling niet, omdat deze stelling onvoldoende is onderbouwd.
De betogen slagen niet.
3.5.    Wat [verzoeker] en anderen voor het overige naar voren hebben gebracht doet naar het oordeel van de Afdeling geen afbreuk aan het standpunt van de raad dat als gevolg van het voorliggende plan niet hoeft te worden gevreesd voor een toename van wateroverlast aan de Leidseweg ten opzichte van de wateroverlast die er in de bestaande situatie al is. Over de zorgen die [verzoeker] en anderen hebben over de bestaande wateroverlast heeft de raad op de zitting overigens verklaard dat dit een punt van aandacht blijft.
4.       [verzoeker] en anderen hebben in het beroepschrift verder in algemene zin verwezen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [verzoeker] en anderen hebben ook op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.
Conclusie
5.       Het beroep is ongegrond.
6.       Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
Proceskosten
7.       De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het beroep ongegrond;
II.       wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Priem, griffier.
w.g. Van den Biggelaar
voorzieningenrechter
w.g. Priem
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026
646