ECLI:NL:RVS:2026:1349
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf in hoger beroep
Appellant heeft bij besluit van 1 augustus 2023 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. Na een bezwaarprocedure waarbij het bezwaar aanvankelijk ongegrond werd verklaard, werd het besluit op 23 juli 2024 ingetrokken en alsnog een verblijfsrecht verleend.
De rechtbank verklaarde het daaropvolgende beroep van appellant ongegrond op 27 mei 2025. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze Afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en geoordeeld dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen.
De Afdeling nam de motivering van de rechtbank over en vond geen aanleiding tot verdere motivering omdat het hogerberoepschrift geen relevante vragen bevatte voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.