ECLI:NL:RVS:2026:1380
Raad van State
- Hoger beroep
- M.M. Kaajan
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen vaststelling ontwerp wachtplaats scheepvaart Broekvelderbrug
Op 17 oktober 2022 stelde het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland een ontwerp vast voor een wachtplaats voor de scheepvaart bij de Broekvelderbrug in Bodegraven. [Appellant], eigenaar van een nabijgelegen perceel, maakte bezwaar omdat de wachtplaats de vrije in- en uitvaart van een watergang op zijn perceel zou belemmeren. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de vaststelling geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro is. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de brief van 7 november 2022 geen rechtsgevolg heeft en slechts een mededeling is van een voorgenomen feitelijke handeling.
In hoger beroep betoogde [appellant] dat de vaststelling wel een besluit is omdat het concreet de locatie en inrichting van de wachtplaats bepaalt en afwijkt van richtlijnen, met gevolgen voor zijn rechten. De Afdeling oordeelde dat noch de vaststelling noch de brief een besluit is, omdat zij niet gericht zijn op rechtsgevolg. Een feitelijke handeling kan ook belemmeringen veroorzaken zonder rechtsgevolg. Ook het argument dat bestuursrechtelijke rechtsmiddelen open moeten staan faalde, omdat de burgerlijke rechter voldoende rechtsbescherming biedt.
Verder verwierp de Afdeling het betoog dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd, omdat de rechtbank niet gebonden is aan voorlopige oordelen en terecht niet aan de inhoudelijke beroepsgronden toekwam. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt dat de vaststelling van het ontwerp geen besluit is en verklaart het hoger beroep ongegrond.