ECLI:NL:RVS:2026:1383

Raad van State

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
202204228/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 WrbArt. 32 WrbArt. 5 BvrArt. 12 BvrArt. 8:113 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit intrekking toevoeging wegens diversiteit van procedures bij cassatie

De raad voor rechtsbijstand had aan appellant, een advocaat die deelnam aan het High Trust-programma, toevoegingen verleend voor rechtsbijstand in een strafzaak en de daarop volgende cassatieprocedure. De raad trok de toevoegingen voor de cassatieprocedure in, omdat zij meende dat de werkzaamheden onder de toevoegingen voor de hoger beroepsprocedure vielen, en er dus geen sprake was van diversiteit van procedures.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de cassatieprocedure een procedure in een andere instantie betreft, waardoor er wel diversiteit van procedures is en een aparte toevoeging voor cassatie vereist is. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de Hoge Raad als andere instantie inderdaad diversiteit van procedures oplevert, ook al werden de cassatieberoepen niet-ontvankelijk verklaard.

De Afdeling vernietigde het besluit van de raad en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat de raad een nieuw besluit moet nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met de toepasselijke wettelijke bepalingen en de werkinstructies. Tevens werd bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Afdeling mogelijk is en dat de griffierechten aan appellant worden vergoed.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van toevoegingen voor de cassatieprocedure wordt vernietigd vanwege diversiteit van procedures en de raad moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

202204228/1/A2.
Datum uitspraak: 11 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 juni 2022 in zaak nr. 21/4318 in het geding tussen:
[appellant]
en
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.
Procesverloop
Bij besluit, verzonden op 6 april 2021, heeft de raad de aan [appellant] toegekende toevoeging voor het verlenen van rechtsbijstand met het kenmerk 3KT1508 ingetrokken.
Bij besluit, verzonden op 6 april 2021, heeft de raad de aan [appellant] toegekende toevoeging voor het verlenen van rechtsbijstand met het kenmerk 3KT7398 ingetrokken.
Bij besluit van 24 juni 2021 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 juni 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juli 2024, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.M. Wijnstra, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       De raad verleent toevoegingen voor rechtsbijstand. De regels voor het al dan niet in aanmerking komen voor een toevoeging zijn neergelegd in de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand (Bvr). Daarnaast heeft de raad beleid vastgesteld, neergelegd in zogenoemde werkinstructies.
2.       [appellant] is advocaat en neemt als rechtsbijstandverlener deel aan het High Trust-programma van de raad. Uitgangspunt van dit programma is dat een rechtsbijstandverlener op basis van vertrouwen een toevoegingsaanvraag indient en de raad deze toevoeging zonder voorafgaande inhoudelijke beoordeling verstrekt. Achteraf worden toevoegingen en vastgestelde vergoedingen steekproefsgewijs door de raad gecontroleerd.
2.1.    [appellant] heeft twee toevoegingen aangevraagd voor het door hem verlenen van rechtsbijstand aan een slachtoffer van een ernstig zedenmisdrijf, waarvoor twee verdachten werden vervolgd. De raad heeft die  toevoegingen verleend met zaakcode O013 (gewelds- en zedenmisdrijven met ernstig letsel). Toevoegingen met deze zaakscode zijn civiele toevoegingen en volgens de werkinstructie "O013 Verbintenissenrecht - gewelds/zedenmisdrijf met ernstig letsel" bedoeld voor het slachtoffer of diens nabestaande(n) in een strafzaak of het vorderen van (aanvullende) schadevergoeding in een civiele procedure bij ernstige gewelds- of zedenmisdrijven met een bekende verdachte. Een toevoeging met code O013 geldt volgens de werkinstructie voor alle advieswerkzaamheden met betrekking tot de problematiek bij ernstige gewelds- en zedenmisdrijven en de eerste procedure die hieruit voortvloeit. De rechtsbijstand aan slachtoffers kan uit verschillende werkzaamheden bestaan, zoals voeging in het strafproces als benadeelde partij, bijstand bij het slachtoffergesprek en inzage in het strafdossier, het uitoefenen van spreekrecht en een civiele procedure tot schadevergoeding.
Besluitvorming
3.       De raad heeft de hiervoor genoemde onder zaakcode 0013 verleende toevoegingen aan [appellant] verleend voor rechtsbijstand in de cassatieprocedure bij de Hoge raad. Op een eerder moment had de raad aan [appellant] ook toevoegingen verleend voor de hoger beroepsprocedure bij het gerechtshof. [appellant] heeft na beëindiging van de cassatieprocedure de raad verzocht de vergoedingen voor de cassatieprocedure te wijzigen omdat die volgens hem te hoog waren vastgesteld en aangepast moesten worden. De raad heeft vervolgens de vastgestelde vergoedingen voor de cassatieprocedure ingetrokken omdat de werkzaamheden waarvoor de toevoegingen voor de cassatieprocedure zijn aangevraagd onder bereik van de toevoegingen voor de hoger beroepsprocedure vallen. Er is volgens de raad namelijk geen sprake van diversiteit van procedures. Het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 juni 2021, onder verwijzing naar het advies van de commissie van bezwaar van 16 juni 2021, ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
4.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de raad voldoende heeft onderbouwd dat geen sprake is van diversiteit van procedures. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het cassatieberoep van de daders niet-ontvankelijk is verklaard, waardoor het aannemelijk is dat de werkzaamheden van [appellant], naast advisering over het al dan niet indienen van middelen, hebben bestaan uit het geven van advies over het verdere verloop van de cassatieprocedure.
Het hoger beroep en de beoordeling daarvan.
5.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van diversiteit van procedures. Hij stelt zich op het standpunt dat het bijstaan door een slachtofferadvocaat van een slachtoffer in een cassatieprocedure die is ingesteld door een verdachte, niet gezien kan worden als advisering in het kader van de hoger beroepsprocedure bij het gerechtshof. Er is namelijk sprake van behandeling van een zaak door een ander gerechtelijk college en dus van een procedure in een volgende instantie, waarvoor een nieuwe toevoeging dient te worden verstrekt. Volgens [appellant] komt de huidige toelichting op cassatie bij ernstige gewelds- en zedenmisdrijven in de werkinstructie niet overeen met de werkelijkheid van de procedure in cassatie. Dat het geven van cassatieadvies onder het bereik valt van de toevoeging voor de eerdere aanleg, is volgens hem onbegrijpelijk omdat een slachtofferadvocaat niet zelfstandig in cassatie kan gaan. Het geven van cassatieadvies is daarom niet aan de orde. Als de zaak inhoudelijk bij de Hoge Raad wordt behandeld, kan de benadeelde via de advocaat echter wel ook klagen over de beslissing over de schadevergoeding. Daarnaast heeft het instellen van cassatie door de verdachte(n) tot gevolg dat de uitspraak van het gerechtshof, en daarmee ook de eventueel daarbij aan het slachtoffer toegekende schadevergoeding, niet onherroepelijk wordt. Dit maakt dat de slachtofferadvocaat na het instellen van cassatie zijn cliënt op de hoogte moet houden over het verloop en de gevolgen van de cassatieprocedure en dat er met de cliënt moet worden overlegd wat de te nemen beslissingen zijn met betrekking tot het eventueel zelf indienen van middelen.
5.1.    De raad kan als er sprake is van één rechtsbelang volstaan met het toekennen van één toevoeging, tenzij er sprake is van behandeling van een procedure in meer dan één instantie (zie artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 32 van Pro de Wrb en de uitspraken van de Afdeling van 8 januari 2020 ECLI:NL:RVS:2020:26, en 10 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3343). In geschil is de vraag of er in dit geval sprake is van een dergelijke procedure in meer dan een instantie, of zoals dat in de rechtspraktijk veelal wordt genoemd, "diversiteit van procedures". Dit is, volgens de werkinstructie "Bereik" van de raad aan de orde als op basis van de eerder afgegeven toevoeging een procedure is gevoerd én op de gevraagde toevoeging daadwerkelijk een procedure bij een andere instantie wordt gevoerd.
5.2.    Vast staat dat [appellant] rechtszoekende in eerste aanleg en in hoger beroep heeft bijgestaan op basis van toevoegingen. Tussen partijen is verder niet in geschil dat de verdachten in de zaak  vervolgens beroepen in cassatie hebben ingesteld. Evenmin is in geschil dat de griffier van de Hoge Raad [appellant] over de ingestelde cassatieberoepen heeft geïnformeerd. Anders dan de rechtbank en de raad is de Afdeling van oordeel dat daarmee sprake is van diversiteit van procedures. Hieraan doet niet af dat de Hoge Raad de cassatieberoepen uiteindelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de verdachten geen middelen hebben ingediend. [appellant] heeft toegelicht en door de raad is niet bestreden dat hij naar aanleiding van de ingestelde cassatieberoepen diverse werkzaamheden heeft verricht, die verder gaan dan het enkele adviseren over het al dan niet participeren in de cassatieprocedure. Zo heeft hij verschillende contactmomenten gehad met de Hoge Raad, en heeft hij de inhoud en gevolgen van de cassatieberoepen en - de gevolgen van - het arrest van de Hoge Raad met rechtszoekende besproken. Omdat aldus sprake is van diversiteit van procedures betekent dit dat de in het kader van de cassatieprocedure door [appellant] verrichte werkzaamheden niet onder de voor de vorige procedures verleende toevoegingen vallen.
6.       Het hoger beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Wat [appellant] verder in hoger beroep naar voren heeft gebracht, behoeft geen bespreking. De raad heeft aan het besluit op bezwaar ook ten grondslag heeft gelegd dat geen sprake is van diversiteit van procedures. Omdat dit standpunt de toets in rechte niet kan doorstaan, verklaart de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond en vernietigt zij het besluit op bezwaar (artikel 8:113, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht; Awb). De raad moet een nieuw besluit op bezwaar nemen. De Afdeling zal daarvoor een termijn stellen. Met het oog op de efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld (artikel 8:113, tweede lid, van de Awb).
7.       Bij het nemen van het besluit op bezwaar moet de raad het volgende tot uitgangspunt nemen. Zoals hiervoor overwogen, is een toevoeging met zaakscode O013 een civiele toevoeging. Uit artikel 5, tweede lid, van het Bvr volgt dat een procedure die eindigt zonder dat de rechtsbijstandsverlener een zitting heeft bijgewoond, wat betreft de vergoeding als een advieszaak wordt aangemerkt, waarop artikel 12 van Pro het Bvr van toepassing is. Op grond van deze bepaling worden aan een advieszaken punten toegekend, afhankelijk van hoeveel uren rechtsbijstand zijn verleend en de aard van het rechtskundig advies. Daarbij kan het aantal punten niet hoger zijn dan het aantal punten dat in de bijlage bij het Bvr voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak wordt toegekend.
7.1.    Tijdens de zitting is door de raad het standpunt ingenomen dat op grond van de door de raad vastgestelde werkinstructies in deze situatie aan de rechtsbijstandsverlener geen enkele vergoeding toekomt. De vraag rijst hoe deze werkinstructies zich verhouden tot de hiervoor genoemde artikelen 5 en 12 van het Bvr. De bevoegdheid van de raad bij de uitvoering van de Wrb strekt immers niet zover, dat zij beleid kan vaststellen dat in strijd is met het Bvr. Bij een nader besluit zal de raad zich derhalve ook een oordeel moeten vormen over de verenigbaarheid van haar beleid met voormelde bepalingen.
8.       De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 juni 2022 in zaak nr. 21/4318;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van het bestuur van de raad voor de rechtsbijstand van 24 juni 2021, kenmerk 210528;
V.       draagt het bestuur van de raad voor de rechtsbijstand op om binnen acht weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen;
VI.      bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VII.     gelast dat het bestuur van de raad voor de rechtsbijstand aan [appellant] voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 455,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026
284-1090