ECLI:NL:RVS:2026:1429
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- M. Soffers
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen onrechtmatige bewaring vreemdeling wegens onzorgvuldige voorbereiding
De minister van Asiel en Migratie stelde betrokkene op 22 januari 2026 in bewaring. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, oordeelde dat de bewaring onrechtmatig was vanwege onzorgvuldige voorbereiding en beval opheffing van de maatregel met schadevergoeding.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de minister onzorgvuldig had gehandeld door vragen te stellen over terugkeer, terwijl betrokkene asiel had aangevraagd. Deze vragen waren relevant voor de beoordeling van het risico op onttrekking aan toezicht.
Verder verwierp de Afdeling de bezwaren van betrokkene over zijn identiteit, de toepassing van zware gronden 3a en 3b, en het ontbreken van een terugkeerbesluit in het dossier. De Afdeling concludeerde dat de bewaring rechtmatig was en wees het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.
Uitkomst: De bewaring van betrokkene is rechtmatig verklaard en het beroep ongegrond verklaard.