ECLI:NL:RVS:2026:143

Raad van State

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
BRS.25.002576
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M.J.M. Ristra-Peeters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting en inreisverbod na niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag

Op 24 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie de asielaanvraag van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard, haar opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod opgelegd. Verzoeker stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 19 december 2025 het beroep ongegrond verklaarde. Verzoeker ging in hoger beroep en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat het hoger beroep nader onderzoek vereist, waarvoor de voorlopige voorziening niet geschikt is. Daarom werd besloten een voorlopige voorziening te treffen die voorkomt dat verzoeker wordt uitgezet totdat het hoger beroep is beslist. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, bestaande uit kosten van rechtsbijstand door een derde.

De uitspraak werd gedaan op 14 januari 2026 door voorzieningenrechter M.J.M. Ristra-Peeters, in aanwezigheid van griffier J.W. Prins. De voorlopige voorziening biedt verzoeker bescherming tegen onmiddellijke uitzetting en waarborgt haar recht op opvang en verstrekkingen gedurende de procedure.

Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

BRS.25.002576
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker 1], [verzoeker 2] en [verzoeker 3],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 19 december 2025 in zaak nr. NL25.34608 in het geding tussen:
[verzoeker 1], [verzoeker 2] en [verzoeker 3]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 24 juli 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard, haar opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 19 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.        Het hoger beroep vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door haar ingestelde hoger beroep is beslist;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzieningenrechter
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
363-1113