De zaak betreft een inzageverzoek van twee partijen op grond van artikel 67 vanPro Verordening (EG) nr. 1107/2009 voor informatie uit het register van professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen. De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur wees dit verzoek af omdat de informatie niet bij hem berust en hij niet verplicht is deze op te vragen.
De rechtbank Noord-Nederland oordeelde echter dat de minister als bevoegde autoriteit wel de bevoegdheid heeft om professionele gebruikers te verzoeken relevante informatie te verstrekken en dat hij verplicht is inzage te geven in milieu-informatie volgens de Wet open overheid. De minister stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van de rechtbankuitspraak te schorsen.
De voorzieningenrechter overwoog dat de principiële rechtsvragen over de uitleg van de Verordening en de Wet open overheid niet in de voorlopige voorziening kunnen worden beantwoord en dat uitvoering van de rechtbankuitspraak de zin van het hoger beroep zou ondermijnen. Ook is niet uitgesloten dat uitvoering leidt tot meer inzageverzoeken en procedures. Daarom werd de voorlopige voorziening toegewezen, zodat de minister geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak totdat het hoger beroep is beslist.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren voordat het hoger beroep is beslist.
Uitspraak
202600608/2/A3.
Datum uitspraak: 13 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank NoordNederland van 12 januari 2026 in zaak nr. 23/1511 in het geding tussen:
de staatssecretaris en [wederpartij A] en [wederpartij B].
Procesverloop
Bij besluit van 5 oktober 2022 heeft de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur het inzageverzoek van [wederpartij A] en [wederpartij B] afgewezen.
Bij besluit van 21 februari 2023 heeft de minister het door [wederpartij A] en [wederpartij B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 januari 2026 heeft de rechtbank, voor zover hier relevant, het door [wederpartij A] en [wederpartij B] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 februari 2023 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [wederpartij A] en [wederpartij B].
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft de staatssecretaris de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 maart 2026, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.A.G. Stolker en mr. D.W.M. Wenders, bijgestaan door L.C.C. Lageschaar, en [wederpartij A] en [wederpartij B], bijgestaan en vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Inleiding
2. [wederpartij A] en [wederpartij B] hebben de minister op 3 mei 2022 op grond van artikel 67 vanPro de Verordening (EG) nr. 1107/2009 verzocht om informatie te verstrekken uit het register van een professioneel gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen. De minister heeft dit verzoek afgewezen, omdat de verzochte informatie volgens de minister niet bij hem berust en daar ook niet behoort te berusten. Hij vraagt informatie uit de registers van professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen slechts op voor zover dat voor onderzoek van toegevoegde waarde is en voor zover dat voor de uitoefening van zijn wettelijke taak redelijkerwijs nodig is. De Verordening verplicht hem niet om informatie uit de register van een professionele gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen op te vragen als om verstrekking van die informatie wordt verzocht, aldus de minister.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank is het niet eens met de minister en overweegt daarover het volgende. Uit artikel 4, vierde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden volgt dat de minister de bevoegde autoriteit is die belast is met het nemen van besluiten op verzoeken om toegang tot informatie als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de Verordening. De minister moet het verzoek met toepassing van de Wet open overheid (Woo) en de Verordening beoordelen. De informatie in de registers berust bij de professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen die verplicht zijn een register bij te houden; het blijkt nergens uit dat die informatie in de registers ook bij de minister aanwezig behoort te zijn. Dit laat volgens de rechtbank onverlet dat artikel 4.2, tweede lid, van de Woo hier niet voorziet in een doeltreffende uitoefening van het inzagerecht als bedoeld in de Verordening. Dit komt omdat de bevoegdheid tot het vorderen van informatie door een bestuursorgaan in de Woo is voorbehouden aan publieke informatie in documenten die bij het bestuursorgaan rusten of behoren te rusten. Daarvan is hier echter geen sprake. De rechtbank is daarom van oordeel dat uit artikel 67, eerste lid, tweede alinea, van de Verordening volgt dat de minister als bevoegde autoriteit de bevoegdheid heeft om een professionele gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen te verzoeken om relevante informatie uit de registers ter beschikking te stellen indien derde partijen een verzoek om toegang tot deze informatie bij de minister hebben gedaan. De minister kan deze bevoegdheid ook gebruiken in andere gevallen dan als hij van overheidswege controle uitoefent op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. De minister is bovendien verplicht om inzage te geven in de verzochte informatie, omdat het gaat om milieu-informatie over emissies als bedoeld in artikel 5.1, zevende lid, van de Woo.
Verzoek om voorlopige voorziening
4. De staatssecretaris verzoekt de voorzieningenrechter de uitspraak van de rechtbank te schorsen totdat op het hoger beroep is beslist. Het hoger beroep van de staatssecretaris gaat in de kern over de vraag of de uitleg die de rechtbank geeft aan de Verordening juist is. Onder andere zal beoordeeld moeten worden of verenigbaar is met het systeem van de Woo dat de staatssecretaris gehouden is om informatie met het oog op openbaarmaking daarvan op te vragen zonder dat daarvoor aanleiding bestaat vanuit het belang van de uitoefening van toezicht. Dit zijn principiële rechtsvragen die zich niet lenen voor beantwoording in de voorlopige voorzieningenprocedure, maar in de bodemprocedure aan bod zullen komen. Daarom zal de voorzieningenrechter de vraag of vooruitlopend op de beoordeling van het hoger beroep een voorlopige voorziening moet worden getroffen, beantwoorden aan de hand van een belangenafweging.
5. Uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft tot gevolg dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen waarin hij bij de professioneel gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen verzoekt en zo nodig met gebruik van zijn toezichthoudende bevoegdheden vordert om de door [wederpartij A] en [wederpartij B] verzochte informatie uit het register aan de staatssecretaris ter beschikking te stellen, zodat de staatssecretaris aan hen inzage kan verlenen in die informatie. Of de staatssecretaris gehouden is dit te doen, is het punt van geschil dat in hoger beroep voorligt. De procedure in hoger beroep zou geen zin meer hebben als de rechtbankuitspraak vooruitlopend daarop wordt uitgevoerd. Daarnaast is op de zitting van de voorzieningenrechter naar voren gekomen dat niet is uitgesloten dat er meer inzageverzoeken en daarmee verband houdende procedures zullen komen als de staatssecretaris uitvoering geeft aan de opdracht van de rechtbank door bij professionele gebruikers informatie uit de registers op te vragen. Voor de voorzieningenrechter is verder niet buiten twijfel dat de aangevallen uitspraak onverkort stand zal houden. Voor het oordeel van de rechtbank zijn namelijk geen directe aanknopingspunten te vinden in de huidige rechtspraak over de Woo of in de Verordening. Van een zwaarder wegend belang aan de kant van [wederpartij A] en [wederpartij B] is niet gebleken. Verder zal de voorzieningenrechter bevorderen dat de hoofdzaak op korte termijn zal worden behandeld. Om bovenstaande redenen zal de voorzieningenrechter het verzoek van de staatssecretaris toewijzen en de hierna te melden voorlopige voorziening treffen.
6. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.E.C. Bus, griffier.