ECLI:NL:RVS:2026:1445

Raad van State

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
BRS.25.001632
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:54 AwbArt. 6:162 BWArt. 6, derde lid, Vw 2000Art. 8:54, eerste lid, AwbArt. 9, eerste lid, Opvangrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige grensdetentie van asielzoeker wegens onmogelijkheid overdracht aan Italië

Appellant arriveerde op 19 september 2025 op Schiphol en uitte een asielwens. De minister plaatste hem in grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en diende een overnameverzoek in bij Italië. Italië accepteerde het verzoek op 26 september 2025, maar gaf aan geen opvangfaciliteiten te hebben, waardoor feitelijke overdracht niet mogelijk was. De minister hief daarop de grensdetentie op.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de minister terecht de procedure volgde en de reactie van Italië afwachtte. Appellant stelde dat de visumsticker en het paspoort authentiek waren en dat Italië het verzoek dus onherroepelijk zou accepteren, waardoor grensdetentie onrechtmatig was.

De Afdeling oordeelde dat de minister niet te goeder trouw handelde door grensdetentie op te leggen, omdat de kans dat Italië het verzoek zou afwijzen verwaarloosbaar was. De grensdetentie diende daarom niet het doel van grensbewaking en was vanaf het begin onrechtmatig. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en kende appellant een schadevergoeding toe. Tevens werden de proceskosten aan appellant toegekend.

Uitkomst: De grensdetentie van appellant was vanaf het begin onrechtmatig en hij krijgt een schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

BRS.25.001632
Datum uitspraak: 17 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 oktober 2025 in zaak nr. NL25.45857 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 19 september 2025 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 14 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. V.M. Oliana, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1.        Bij ‘circular letter’ van 5 december 2022 en daaropvolgende berichtgeving hebben de Italiaanse autoriteiten te kennen gegeven dat overdrachten aan Italië vanwege het gebrek aan opvangfaciliteiten niet mogelijk zijn. Zie daarover de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1654. Deze situatie is sindsdien onveranderd.
1.1.        Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister een vreemdeling gelet op deze situatie in grensdetentie mag plaatsen op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000, in afwachting van de reactie van de Italiaanse autoriteiten op een Dublinclaim. De Afdeling legt hieronder uit waarom dit in deze zaak niet het geval is en waarom zij de grensdetentie vanaf het begin onrechtmatig acht.
Feiten
2.        Appellant is op 19 september 2025 met een vlucht vanuit Lagos, Nigeria, aangekomen op Schiphol. Hij heeft daar een asielwens geuit. De minister heeft vervolgens onderzoek verricht in de systemen EU-VIS en Eurodac (de systemen). Uit EU-VIS bleek dat appellant een door het Italiaanse Consulaat in Lagos afgegeven toeristenvisum voor Italië had. De Koninklijke Marechaussee heeft dit bij de controle van het eveneens echt bevonden paspoort bevestigd. Appellant kwam niet voor in Eurodac. De minister heeft appellant op 19 september 2025 in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Hij heeft een overnameverzoek bij Italië ingediend. Op 26 september 2025 heeft Italië dat verzoek geaccepteerd en te kennen gegeven dat een feitelijke overdracht niet mogelijk is, omdat er geen opvangvoorzieningen beschikbaar zijn. Om die reden heeft de minister de grensdetentie op diezelfde dag opgeheven.
De werkwijze van de minister
3.        In de beroepsprocedure bij de rechtbank heeft de minister gewezen op zijn vaste werkwijze in een geval zoals dat van appellant. Deze werkwijze is vervat in het Informatiebericht 2023/86, opgesteld naar aanleiding van de genoemde uitspraak van de Afdeling van 26 april 2023. Daarin staat dat de minister ook vanuit de grensprocedure claimverzoeken kan blijven verzenden aan Italië. De grensprocedure kan worden doorlopen totdat Italië het claimverzoek accepteert en vaststaat dat Italië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag. Na acceptatie van het claimverzoek vindt vooralsnog geen besluitvorming plaats. De betrokken vreemdeling wordt opgenomen in de nationale asielprocedure wanneer de overdrachtstermijn is verstreken. De minister heeft in de beroepsprocedure toegelicht dat de grensdetentie wordt opgeheven wanneer Italië het claimverzoek accepteert.
De uitspraak van de rechtbank en de grief van appellant
4.        De rechtbank heeft overwogen dat de onder 3 beschreven werkwijze haar niet onjuist voorkomt. De systematiek van de Dublinverordening schrijft voor dat de lidstaat die het eerste asielverzoek ontvangt, verplicht is om vast te stellen welke lidstaat daarvoor verantwoordelijk is. Uit artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn volgt dat de minister administratieve procedures die verband houden met de redenen voor bewaring van verzoekers, zorgvuldig moet uitvoeren. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht een overnameverzoek bij Italië heeft ingediend en de reactie daarop heeft afgewacht, omdat niet op voorhand is uit te sluiten dat een andere lidstaat dan Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Het kan namelijk bijvoorbeeld zo zijn dat de visumsticker of het paspoort waarin deze is geplaatst vervalst is. Verder kan de minister na de eventuele afwijzing van het verzoek de asielaanvraag alsnog in de grensprocedure behandelen, zodat niet op voorhand vaststaat dat appellant moet worden toegelaten tot het Schengengebied.
5.        De enige grief van appellant is gericht tegen dit oordeel van de rechtbank. Volgens appellant kon het niet zo zijn dat de visumsticker of het paspoort vervalst was, omdat de echtheid daarvan was gebleken uit het door de minister verrichte onderzoek. Omdat appellant verder niet voorkwam in Eurodac, was het toen hij in grensdetentie werd geplaatst al duidelijk dat Italië het overnameverzoek zou accepteren. Hij is daarom van mening dat op voorhand duidelijk was dat de minister hem toegang zou moeten verlenen tot het Schengengebied.
Beoordeling
5.1.        Uit artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat, wanneer een verzoeker houder is van een geldig visum, de lidstaat die het visum heeft afgegeven verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, tenzij dit visum namens een andere lidstaat is afgegeven op grond van een vertegenwoordigingsregeling. Zoals de Afdeling onder 2 heeft overwogen, bleek bij aankomst van appellant op Schiphol uit EU-VIS dat hij een door Italië afgegeven geldig toeristenvisum had en dat hij niet voorkwam in Eurodac. Deze systemen boden geen aanknopingspunten dat een andere lidstaat dan Italië verantwoordelijk kon zijn voor de behandeling van de asielaanvraag.
5.2.        Als Italië in zo’n geval informatie heeft waaruit zou blijken dat toch een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, dan zou dat betekenen dat relevante informatie abusievelijk niet in de systemen is opgenomen. De kans dat Italië in een geval zoals dat van appellant over dergelijke informatie zou beschikken, is zodanig klein dat de minister bij de vraag of grensdetentie is aangewezen in beginsel ervan uit moet gaan dat Italië het claimverzoek zal accepteren.
5.3.        Uit de vaste werkwijze van de minister volgt dat hij een vreemdeling de toegang tot het Schengengebied verleent zodra Italië het overnameverzoek accepteert. Gelet op wat de Afdeling onder 5.2 heeft overwogen, betekent dit dat de grensdetentie met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het doel van grensbewaking niet dient. Dat betekent dat de minister niet te goeder trouw gebruikmaakt van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel. De Afdeling verwijst naar het arrest van het EHRM van 29 januari 2008, Saadi, ECLI:CE:ECHR:2008:0129JUD001322903, paragraaf 74, en het arrest van het Hof van Justitie van 4 oktober 2024, Bouskoura, ECLI:EU:C:2024:868, punt 54. Daarom mag de minister vreemdelingen niet op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 in grensdetentie plaatsen in afwachting van de reactie op een Dublinclaim bij Italië, tenzij de systemen aanknopingspunten bieden dat een andere lidstaat dan Italië verantwoordelijk kan zijn voor de behandeling van de asielaanvraag. Dit betekent dat de grensdetentie in dit geval vanaf het begin onrechtmatig was.
5.4.        De grief slaagt.
Conclusie
6.        Omdat de grensdetentie vanaf het begin onrechtmatig is geweest, bestaat voor ambtshalve toetsing door de Afdeling geen aanleiding. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is alsnog gegrond. Omdat de grensdetentie al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan appellant toe. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 oktober 2025 in zaak nr. NL25.45857;
III.        verklaart het beroep gegrond;
IV.        kent aan appellant een vergoeding toe van € 800,00 over de periode van 19 september 2025 tot en met 26 september 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026
1020-1085