ECLI:NL:RVS:2026:1445
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- J.M. Willems
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige grensdetentie van asielzoeker wegens onmogelijkheid overdracht aan Italië
Appellant arriveerde op 19 september 2025 op Schiphol en uitte een asielwens. De minister plaatste hem in grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en diende een overnameverzoek in bij Italië. Italië accepteerde het verzoek op 26 september 2025, maar gaf aan dat feitelijke overdracht niet mogelijk was vanwege het ontbreken van opvangfaciliteiten. De minister hief daarop de grensdetentie op.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de minister terecht de procedure volgde en de reactie van Italië afwachtte. Appellant stelde dat de echtheid van zijn visum en paspoort vaststond en dat Italië het verzoek dus onvermijdelijk zou accepteren, waardoor grensdetentie onrechtmatig was.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de minister niet te goeder trouw handelde door appellant in grensdetentie te plaatsen, omdat de kans dat Italië niet verantwoordelijk was voor de asielaanvraag verwaarloosbaar was. De grensdetentie diende het doel van grensbewaking niet en was daarom vanaf het begin onrechtmatig.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en kent appellant een schadevergoeding toe van €800 over de periode van grensdetentie. Tevens worden de proceskosten van appellant vergoed.
Uitkomst: De grensdetentie van appellant was onrechtmatig en hij krijgt een schadevergoeding toegekend.