202600570/1/A2.
Datum uitspraak: 13 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante],
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Westland,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 10 februari 2026 heeft het college de aanvraag van [appellante] als bedoeld in artikel D 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Kieswet om haar registratie te wijzigen en haar alsnog als kiezer te registreren als bedoeld in artikel D 1 van de Kieswet, afgewezen.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Kiesraad heeft inlichtingen verschaft.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 5 maart 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. drs. M.J.G. Schroeder, advocaat in Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door B.H.J. Thedinga, vergezeld door N. Wesstein, M. Montaser en N. Dari, zijn verschenen. Voorts is op de zitting de Kiesraad, vertegenwoordigd door mr. M. Mangert, gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] huurde vanaf 2016 een woning op het adres [locatie] in Poeldijk, gemeente Westland, op welk adres zij ook stond ingeschreven in de basisregistratie personen. Toezichthouders van de gemeente hebben geconstateerd dat zij niet op dit adres woonde, waarna het college haar per 25 juli 2025 uit de basisregistratie personen heeft uitgeschreven met ‘bestemming onbekend’ (Gemeenteblad 2025, 407380). Omdat zij haar woning aan derden had onderverhuurd en haar hoofdverblijf niet in de woning had, heeft de verhuurder de huurovereenkomst opgezegd en in kort geding ontruiming geëist. Bij uitspraak van 8 januari 2026 heeft de kantonrechter in kort geding de vordering van de verhuurder toegewezen en [appellante] veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van de uitspraak de woning te ontruimen (de uitspraak van 8 januari 2026). De gerechtsdeurwaarder heeft het vonnis betekend en aangezegd dat de woning op uiterlijk 25 februari 2026 ontruimd zal worden.
Besluitvorming
2. Bij brief van 29 januari 2026 heeft [appellante] het college - kort gezegd - verzocht om in de gemeente Westland te worden geregistreerd als kiezer voor de aankomende gemeenteraadsverkiezingen. Dit verzoek heeft het college met het besluit van 10 februari 2026 afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat zij niet in de basisregistratie personen is ingeschreven en ook anderszins niet is aan te merken als ingezetene van de gemeente Westland.
Beroep
3. [appellante] betoogt dat het college haar ten onrechte niet heeft geregistreerd als kiesgerechtigde voor de verkiezingen van de leden van de raad van de gemeente Westland. Zij voert aan dat zij tot aan de ontruiming vanaf 11 mei 2016 in een woning aan de [locatie] in Poeldijk, gemeente Westland, woonde. In de periode van 27 juli 2025 tot en met 8 september 2025 verbleef zij tijdelijk in Kenia. Zij heeft dit onderbouwd met de overgelegde vliegtickets. In de bewuste periode heeft zij haar woning aan derden ter beschikking gesteld. [appellante] heeft gesteld dat deze derden zijn vertrokken toen zij terugkwam naar Nederland, waarna zij de woning opnieuw is gaan bewonen ondanks dat zij inmiddels door het college uit de basisregistratie personen was uitgeschreven. Ter staving van deze stelling heeft zij onder meer OV-transacties, een arbeidsovereenkomst, salarisspecificaties, een factuur van de huisartsenpost Westland en bankafschriften overgelegd. Daaruit blijkt volgens [appellante] dat zij nog in de woning aan de [locatie] woonde.
Beoordeling van het beroep
3.1. In artikel D 1 van de Kieswet is bepaald dat burgemeester en wethouders de kiesgerechtigdheid van de ingezetenen van de gemeente registreren. In artikel B 4, eerste lid, van de Kieswet is bepaald dat deze wet onder ingezetenen van de gemeente verstaat hen die in de gemeente werkelijke woonplaats hebben. In artikel B 4, tweede lid, van de Kieswet is bepaald dat zij die als ingezetene met een adres in een gemeente zijn ingeschreven in de basisregistratie personen, voor de toepassing van deze wet, behoudens bewijs van het tegendeel, worden geacht werkelijke woonplaats te hebben in die gemeente.
3.2. De leden van de gemeenteraden worden op grond van artikel B 3, eerste lid, van de Kieswet gekozen door degenen die op de dag van de kandidaatstelling ingezetenen zijn van de gemeente. De dag van de kandidaatstelling was 2 februari 2026.
3.3. Niet in geschil is dat [appellante] op 25 juli 2025 door het college ambtshalve uit de basisregistratie personen is uitgeschreven, omdat zij niet meer woonde of bereikbaar was op het adres waarop zij volgens de basisregistratie personen stond ingeschreven. Tegen dit besluit is zij niet in rechte opgekomen. Ook is niet in geschil dat zij op de dag van de kandidaatstelling niet in de basisregistratie personen in de gemeente Westland was ingeschreven.
3.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in de uitspraak van 11 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:536) valt de registratie als kiesgerechtigde echter niet samen met inschrijving in de basisregistratie personen. De Kieswet laat immers de mogelijkheid open om als kiesgerechtigde te worden geregistreerd zonder in deze basisregistratie ingeschreven te staan. De Afdeling verwijst daarvoor naar het eerder genoemde artikel B 4, eerste lid, van de Kieswet en in het bijzonder ook naar artikel D 2, eerste lid, van het Kiesbesluit. 3.5. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij, ondanks dat zij niet in de basisregistratie personen in de gemeente Westland stond ingeschreven, toch haar werkelijke woonplaats in die gemeente had. Daartoe acht de Afdeling het volgende van belang.
In de uitspraak van 8 januari 2026 heeft de kantonrechter overwogen dat voldoende aannemelijk is dat [appellante] haar hoofdverblijf niet in de woning had en de woning in gebruik heeft gegeven aan derden. Het vonnis is dus een aanwijzing dat zij niet werkelijk in de woning verbleef. Dat de kantonrechter de vordering tot ontruiming vooruitlopend op de uitkomst van een eventuele bodemprocedure heeft toegewezen, is een sterke aanwijzing dat [appellante] niet haar werkelijke verblijf had in de woning. Dat de woning pas op 25 februari 2026, dus na de dag van de kandidaatstelling ontruimd moest zijn, betekent ook niet dat [appellante] nog werkelijk woonde in de woning. Het betekent dat zij zich tot die datum toegang tot de woning kon verschaffen om deze voor 25 februari 2026 zelf te ontruimen. Verder heeft [appellante] met het door haar op de zitting getoonde filmpje, en met de eerder overgelegde foto’s, ook niet aannemelijk gemaakt dat zij in de woning woonde. Het filmpje laat alleen zien dat zij zich toegang tot de woning kon verschaffen en toont alleen, net als de foto’s, de aanwezigheid van een aantal meubels aan. Dat zij de sleutel van de woning had en zich toegang tot de woning kon verschaffen, is logisch omdat zij op dat moment nog de huurder van de woning was.
Tot slot kan uit de overgelegde OV-gegevens en banktransacties weliswaar worden afgeleid dat zij met enige regelmaat in Poeldijk is geweest, maar ook dat zij regelmatig in de gemeente Den Haag was. Daarmee heeft zij weliswaar aannemelijk gemaakt dat zij enige binding heeft met de gemeente Westland, maar niet dat zij in die gemeente ook werkelijk woonde. Met deze gegevens is dus ook niet aannemelijk geworden dat [appellante], zoals zij subsidiair heeft betoogd, op de dag van de kandidaatstelling elders in Poeldijk of de gemeente Westland haar werkelijke woonplaats had.
Het betoog slaagt niet.
Slotsom
4. Het beroep is ongegrond.
5. Het college hoeft de proceskosten niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026
705