ECLI:NL:RVS:2026:1468
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging oplegging Educatieve Maatregel Drugs door CBR na vaststelling THC-gebruik
In deze zaak stond het hoger beroep van appellant tegen het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) centraal om de Educatieve Maatregel Drugs (EMD) op te leggen. De rechtbank Den Haag had het besluit van het CBR eerder bevestigd, en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft deze uitspraak op 10 maart 2026 bekrachtigd.
De kern van het geschil betrof de vraag of het CBR terecht mocht uitgaan van de juistheid van het proces-verbaal dat op ambtseed was opgemaakt. Appellant betwistte de waarnemingen van de verbalisant, maar de Afdeling oordeelde dat een enkele betwisting onvoldoende is om aan de bevindingen te twijfelen. Het proces-verbaal bevatte concrete aanwijzingen, zoals slingeren op de weg, vergrote pupillen en bloeddoorlopen ogen, die aanleiding gaven tot het afnemen van een speekseltest en bloedonderzoek.
De testen bevestigden de aanwezigheid van tetrahydrocannabinol (THC) in het lichaam van appellant. Op grond van artikel 17 van Pro de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 is het CBR verplicht om in dergelijke gevallen de EMD op te leggen. De Afdeling stelde vast dat het opleggen van de maatregel niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, mede omdat appellant gebruik heeft gemaakt van een betalingsregeling voor de uitvoeringskosten.
Er waren geen bijzondere omstandigheden die een andere uitkomst rechtvaardigden. Ook werd geoordeeld dat het CBR niet verplicht is proceskosten te vergoeden. De uitspraak bevestigt daarmee de rechtmatigheid van het besluit van het CBR en de eerdere uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het besluit van het CBR tot oplegging van de Educatieve Maatregel Drugs aan appellant wegens THC-gebruik tijdens het rijden.