ECLI:NL:RVS:2026:1470
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning minderjarige pleegkinderen uit Suriname
Betrokkenen, minderjarige kinderen uit Suriname, verblijven sinds 2017 zonder geldige vergunning bij hun Nederlandse tante, die tevens hun voogd is. Hun aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd werd door de staatssecretaris afgewezen, waarna bezwaar en beroep volgden. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de kinderen niet of bezwaarlijk door in Suriname wonende familieleden verzorgd konden worden en dat niet alle relevante belangen waren meegewogen.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat de rechtbank ten onrechte te veel bewijswaarde hechtte aan een medische verklaring over de verzorgingsmogelijkheden van de grootouders en dat de minister terecht heeft gewezen op het ontbreken van concrete medische bewijsstukken. Ook acht de Afdeling de leeftijd van de grootouders onvoldoende reden om aan te nemen dat zij niet voor de kinderen kunnen zorgen. Verder is het oordeel van de minister dat de ooms en tante in Suriname wel voor de kinderen kunnen zorgen, ondanks beperkte financiële middelen, niet onredelijk.
Ten aanzien van de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro oordeelt de Afdeling dat de minister deze wel degelijk heeft gemaakt, inclusief de gevolgen van het illegaal verblijf van de kinderen. Ook het privéleven van de voogd is in de afweging betrokken. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkenen ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkenen ongegrond verklaard.