ECLI:NL:RVS:2026:1472
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf
Bij besluit van 18 maart 2021 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond op 9 augustus 2023. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van betrokkenen gegrond op 29 januari 2026, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moest nemen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren totdat het hoger beroep was beslist. Betrokkenen gaven een schriftelijke reactie op dit verzoek.
De voorzieningenrechter overwoog de belangen van beide partijen en besloot de voorlopige voorziening toe te wijzen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Hiermee wordt de uitvoering van de uitspraak van de rechtbank opgeschort totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het hoger beroep heeft beslist.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.