ECLI:NL:RVS:2026:1501

Raad van State

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
BRS.25.001337
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bewaring met het oog op uitzetting na hoger beroep

Appellant werd bij besluit van 27 augustus 2025 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld met het oog op uitzetting. Appellant stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 12 september 2025 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.

Tegen deze uitspraak stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld, mede in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025 (Adrar) en een eerdere uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026.

De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die beantwoording behoeven in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Er is geen aanleiding om het eerdere oordeel over de rechtmatigheid van de bewaring te herzien. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

BRS.25.001337
Datum uitspraak: 19 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 12 september 2025 in zaak nr. NL25.41402 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 augustus 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 12 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Op verzoek van de Afdeling hebben de minister en appellant schriftelijk gereageerd op het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.        Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329, onder 8 tot en met 8.2 en 11 tot en met 11.2 over de gevolgen van het arrest Adrar voor een maatregel van bewaring met het oog op uitzetting). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.P. Harkink, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Harkink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026
1111