ECLI:NL:RVS:2026:1501
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring met het oog op uitzetting na hoger beroep
Appellant werd bij besluit van 27 augustus 2025 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld met het oog op uitzetting. Appellant stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 12 september 2025 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
Tegen deze uitspraak stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld, mede in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025 (Adrar) en een eerdere uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026.
De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die beantwoording behoeven in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Er is geen aanleiding om het eerdere oordeel over de rechtmatigheid van de bewaring te herzien. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.