ECLI:NL:RVS:2026:1504
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake verblijfsvergunning asiel na geschil over geboortedatum
De minister van Asiel en Migratie verleende op 29 juli 2024 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan betrokkene. Betrokkene stelde beroep in tegen dit besluit bij de rechtbank Den Haag, die op 19 juni 2025 het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde voor zover de minister was uitgegaan van de geboortedatum 3 maart 2003. De rechtbank bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is omdat het hogerberoepschrift geen relevante vragen bevat die beantwoord moeten worden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De uitspraak van de rechtbank wordt daarmee bevestigd.
Daarnaast veroordeelde de Afdeling de minister tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene, een bedrag van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer op 19 maart 2026.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de minister ongegrond.