ECLI:NL:RVS:2026:1507
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Appellant heeft bij besluit van 21 maart 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Hiertegen maakte appellant bezwaar, dat bij besluit van 23 augustus 2024 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die bij uitspraak van 27 november 2025 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft de motivering van de rechtbank overgenomen en oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom is geen nadere motivering vereist.
De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Tevens is bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. Hiermee komt een einde aan de procedure betreffende de aanvraag van appellant voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.