ECLI:NL:RVS:2026:1514
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake verlenging overdrachtstermijn vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie heeft op 20 maart 2025 een besluit genomen tot verlenging van de overdrachtstermijn van betrokkene met twaalf maanden. Betrokkene stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, die op 5 augustus 2025 het beroep gegrond verklaarde en het verlengingsbesluit vernietigde.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake was van onderduiken in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Het feit dat de minister betrokkene niet kon overdragen vanwege een verzoek om voorlopige voorziening, sluit onderduiken niet uit.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer onder leiding van B. Meijer op 20 maart 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.