ECLI:NL:RVS:2026:1516

Raad van State

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
202303025/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet tijdelijk huisverbodArt. 6:22 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:88 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging huisverbod wegens onzorgvuldige voorbereiding en schending hoorplicht

De burgemeester van Schagen legde op 30 december 2022 een huis- en contactverbod op aan [wederpartij] op grond van de Wet tijdelijk huisverbod, vanwege zorgen over de veiligheid van de drie kinderen in het gezin. De Raad voor de Kinderbescherming had ernstige zorgen geuit over een onveilige thuissituatie.

De rechtbank oordeelde dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid en dat de burgemeester de hoorplicht had geschonden door [wederpartij] niet vooraf te horen. De rechtbank vernietigde het besluit en verklaarde het beroep van [wederpartij] gegrond.

De burgemeester ging in hoger beroep en stelde dat het huisverbod noodzakelijk was vanwege meerdere meldingen van ruzies en een door de kinderrechter toegewezen voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de kinderen. De burgemeester voerde aan dat minder ingrijpende maatregelen niet werkten.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde echter dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en onzorgvuldig was voorbereid. Ook was de schending van de hoorplicht benadelend voor [wederpartij]. De burgemeester had niet aannemelijk gemaakt dat er een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de kinderen bestond op het moment van het huisverbod. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

De burgemeester werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [wederpartij].

Uitkomst: Het hoger beroep van de burgemeester wordt ongegrond verklaard en de vernietiging van het huisverbod bevestigd.

Uitspraak

202303025/1/A3.
Datum uitspraak: 18 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de burgemeester van Schagen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Holland van 29 maart 2023 in zaak nr. C/15/335466 / FA RK 23-54 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend in [woonplaats],
en
de burgemeester.
Procesverloop
Bij besluit van 30 december 2022 heeft de burgemeester aan [wederpartij] op grond van artikel 2 van Pro de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: de Wth) een huis- en contactverbod opgelegd, van 30 december 2022 tot en met 9 januari 2023.
Bij uitspraak van 29 maart 2023 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 30 december 2022 vernietigd.
Tegen de uitspraak van 29 maart 2023 heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 januari 2026, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. E.C. Smith, advocaat in Zoetermeer, en [wederpartij], bijgestaan door mr. M. Flipse, advocaat in Utrecht, digitaal zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [wederpartij] woonde samen met haar toenmalige partner [toenmalige partner] en hun drie kinderen in Schagen. Op 30 december 2022 heeft de burgemeester aan [wederpartij] een huis- en contactverbod van tien dagen opgelegd. Hieraan heeft de burgemeester feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd die afkomstig zijn van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de RvdK). In het besluit staat dat de RvdK zich ernstig zorgen maakt over de veiligheid en het welzijn van de drie kinderen van [wederpartij] en [toenmalige partner], omdat de kinderen worden blootgesteld aan een ernstige, onveilige thuissituatie.
Uitspraak van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester het besluit van 30 december 2022 onzorgvuldig heeft voorbereid, omdat de burgemeester onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of het huisverbod noodzakelijk was. Ook heeft de burgemeester de hoorplicht geschonden, omdat [wederpartij] voorafgaand aan het opleggen van het huisverbod niet is gehoord. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat zij geen aanleiding ziet om toepassing te geven aan artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en het besluit ondanks schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de hoorplicht in stand te laten. Volgens de rechtbank is [wederpartij] namelijk benadeeld door de onzorgvuldige voorbereiding van het besluit.
De rechtbank heeft gezien het voorgaande het beroep van [wederpartij] gegrond verklaard en het besluit van 30 december 2022 vernietigd.
Hoger beroep
3.       De burgemeester betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij het besluit van 30 december 2022 onzorgvuldig heeft voorbereid. Hiertoe voert hij aan dat hij voldoende heeft onderbouwd dat het huisverbod noodzakelijk was, omdat hij heeft verwezen naar stukken van de RvdK. Uit die stukken blijkt dat de politie in december 2022 meerdere meldingen heeft ontvangen over ruzie tussen [wederpartij] en [toenmalige partner]. De RvdK heeft onderzoek naar het gezin ingesteld en heeft op basis daarvan op 15 december 2022 bij de kinderrechter verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen. Dit verzoek is op 14 december 2022 mondeling door de kinderrechter toegewezen. De RvdK heeft na de toewijzing van de uithuisplaatsing van de kinderen meerdere gesprekken met [wederpartij] en [toenmalige partner] gevoerd, maar het lukte niet om veiligheidsafspraken te maken. Verder blijkt uit de stukken dat de kinderen hebben verklaard dat zij bij hun vader wilden wonen. Aan [wederpartij] is meermaals verzocht om de woning te verlaten, zodat de kinderen met hun vader in de woning konden blijven wonen, maar zij heeft zich daartoe niet bereid verklaard. Daardoor was de situatie in de woning onhoudbaar geworden voor de kinderen. Omdat minder ingrijpende alternatieven niet tot een oplossing leidden, is in het belang van de kinderen besloten om een tijdelijk huisverbod aan [wederpartij] op te leggen, aldus de burgemeester.
3.1.    Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.
3.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3784), is het opleggen van een huisverbod een ingrijpend instrument waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van betrokkenen. De bevoegdheid daartoe is beperkt tot situaties waarin voldoende grond aanwezig is om aan te nemen, of ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen voordoet. Gelet op de aard van een huisverbod, dat altijd in spoedeisende situaties wordt opgelegd, is niet vereist dat de juistheid van de aan het huisverbod ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden onomstotelijk vaststaat. Voldoende is dat aannemelijk is dat die feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan en een ernstig en onmiddellijk gevaar, dan wel een ernstig vermoeden van een dergelijk gevaar, voor de in het besluit genoemde personen opleveren.
3.3.    De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat het besluit van 30 december 2022 onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig is voorbereid en in de overwegingen 2.7 tot en met 2.9 waarop dat oordeel is gebaseerd. Ook is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het aannemelijk is dat [wederpartij] door de schending van de hoorplicht is benadeeld. De Afdeling voegt daaraan toe dat de burgemeester met de door hem in hoger beroep overgelegde stukken niet heeft onderbouwd dat de aanwezigheid van [wederpartij] in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van de kinderen of een ernstig vermoeden daarvan. Hierbij acht de Afdeling onder meer relevant dat op 16 december 2022 een overleg heeft plaatsgevonden tussen Veilig Thuis, de politie, de gemeente Schagen en De Jeugd- en Gezinsbeschermers waarbij is besloten om niet te kiezen voor een huisverbod omdat acute fysieke agressie ontbrak. De burgemeester heeft niet onderbouwd dat de situatie op 30 december 2022 anders was. Dat [wederpartij] volgens de burgemeester niet bereid zou zijn geweest om de woning vrijwillig te verlaten is onvoldoende voor het oordeel dat [wederpartij] een ernstig en onmiddellijk gevaar in de woning voor de kinderen opleverde, dan wel een ernstig vermoeden daarvan.
Gelet op het voorgaande had de burgemeester het huisverbod niet aan [wederpartij] op mogen leggen. De rechtbank heeft het besluit van 30 december 2022 terecht vernietigd.
Het betoog slaagt niet.
Verzoek om schadevergoeding
4.       Over het verzoek om schadevergoeding van [wederpartij] als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Awb merkt de Afdeling op dat [wederpartij] dit verzoek bij de rechtbank heeft ingediend. De rechtbank moet daar nog separaat uitspraak over doen.
Conclusie
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
6.       De burgemeester moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       veroordeelt de burgemeester van Schagen tot vergoeding van bij  [wederpartij] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E. de Bakker, griffier.
w.g. De Groot
voorzitter
w.g. De Bakker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026
1031