ECLI:NL:RVS:2026:1557

Raad van State

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
202407307/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:26 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging last onder dwangsom en invordering tegen maatschap in Aalten

De burgemeester van Aalten legde de maatschap bij besluiten van 8 april 2022 en 4 april 2023 een last onder dwangsom op wegens overtredingen. De maatschap verbeurde de maximale dwangsom van €50.000,- in 2022 en vervolgens per overtreding €50.000,- tot een maximum van €150.000,- in 2023. De burgemeester nam invorderingsbesluiten op basis van controlerapporten die overtredingen op 16 april, 21 mei en 20 oktober 2023 vaststelden.

De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van de maatschap tegen het besluit van 15 augustus 2023 en de invorderingsbesluiten ongegrond. De maatschap stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zij voerde onder meer aan dat de Koninklijke Horeca Nederland (KHN) ten onrechte als belanghebbende was aangemerkt en dat de dwangsom te hoog was omdat de festiviteiten geen winst opleverden.

De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht aannam dat KHN belanghebbende is vanwege mogelijke concurrentieschade voor haar leden. Ook vond de Afdeling dat het ontbreken van winstgevendheid geen reden was voor een lagere dwangsom. Verder werden de overige argumenten van de maatschap als herhaling van eerdere standpunten verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 18 maart 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep van de maatschap wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202407307/1/A3.
Datum uitspraak: 18 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in Aalten, waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C], (hierna: de maatschap),
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 november 2024 in zaak nr. 23/5746 in het geding tussen:
de maatschap
en
de burgemeester van Aalten.
Procesverloop
Bij besluit van 4 april 2023 heeft de burgemeester aan de maatschap een last onder dwangsom opgelegd.
Bij besluit van 15 augustus 2023 heeft de burgemeester het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluiten van 15 april 2024, 16 mei 2024 en 24 juli 2024 is de burgemeester overgegaan tot invordering van verbeurde dwangsommen.
Bij uitspraak van 5 november 2024 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van de maatschap tegen het besluit van 15 augustus 2023 en de invorderingsbesluiten ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de maatschap hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De maatschap heeft nadere stukken ingediend.
De burgemeester heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 januari 2026, waar de maatschap, vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat in Twello, en de burgemeester, vertegenwoordigd door D. Tuinte, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       De burgemeester heeft de maatschap bij besluit van 8 april 2022 een last onder dwangsom opgelegd. De maatschap heeft de daarbij vastgestelde maximale dwangsom van € 50.000,00 verbeurd. Zie daarover de uitspraak van heden in zaak nr. 202407806/1/A3. Vervolgens heeft de burgemeester bij het besluit van 4 april 2023 een gelijkluidende nieuwe last opgelegd. Als de maatschap niet aan de last voldoet, dan verbeurt zij een dwangsom van € 50.000,00 per geconstateerde overtreding. De maximaal te verbeuren dwangsom is € 150.000,00.
Op basis van door toezichthouders van de gemeente opgestelde controlerapporten heeft de burgemeester vastgesteld dat de maatschap de opgelegde nieuwe last op 16 april 2023, 21 mei 2023 en 20 oktober 2023 heeft overtreden en per overtreding een dwangsom van € 50.000,00 heeft verbeurd. In verband hiermee heeft de burgemeester de invorderingsbesluiten genomen.
De rechtbank heeft oplegging van de nieuwe last en invordering van de dwangsommen door de burgemeester onderschreven.
2.       De maatschap betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vereniging Koninklijke Horeca Nederland, afdeling Aalten-Dinxperloo, (lees: de vereniging Afdeling Aalten van het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf Horeca Nederland; hierna: KHN) belanghebbende bij de beroepen is en zij KHN daarom ten onrechte als partij, bedoeld in artikel 8:26, eerste lid, van de Awb heeft aangemerkt. Zij voert hiertoe aan dat KHN geen leden in de buurt heeft die concurrentie zouden kunnen ondervinden van de activiteiten die de maatschap verricht.
2.1.    Naar het oordeel van de Afdeling is de rechtbank er terecht vanuit gegaan dat er horecaondernemers in de omgeving zijn gevestigd die lid zijn van KHN en door de niet toegestane activiteiten van de maatschap in hun concurrentiepositie kunnen worden geraakt. De maatschap heeft niet geconcretiseerd waarom de aanname van de rechtbank onjuist is.
Het betoog slaagt niet.
3.       De maatschap betoogt daarnaast dat de door de burgemeester aan de last verbonden dwangsom te hoog is, omdat de festiviteiten haar geen winst opleveren.
3.1.    Naar het oordeel van de Afdeling noopte de enkele omstandigheid dat de festiviteiten de maatschap geen winst opleveren, de burgemeester niet tot het verbinden van een lagere dwangsom aan de last.
Het betoog slaagt niet.
4.       Wat de maatschap verder in hoger beroep aanvoert, is voornamelijk een herhaling van wat zij eerder in de procedure heeft aangevoerd en de rechtbank bij haar uitspraak heeft betrokken. Daarin ligt geen grond voor vernietiging van die uitspraak.
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
6.       De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hartsuiker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026
620-1158