ECLI:NL:RVS:2026:1572
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over schadevergoeding mijnbouwschade aan monumentale boerderij
Appellant is sinds 1995 eigenaar van een monumentale boerderij en heeft schadevergoeding gevraagd voor mijnbouwschade. Het Instituut Mijnbouwschade Groningen kende aanvankelijk een vergoeding toe, die na bezwaar en beroep werd verhoogd. De rechtbank vernietigde een besluit van het Instituut en beval hernieuwde besluitvorming.
In hoger beroep staat centraal of het Instituut het bewijsvermoeden voor bepaalde schades heeft weerlegd, of de herstelwijze voor andere schades toereikend is, en of de hardheidsclausule terecht niet is toegepast. De Afdeling toetst deze punten uitgebreid aan deskundigenadviezen en wettelijke kaders.
De Afdeling oordeelt dat het Instituut terecht geen toepassing gaf aan de hardheidsclausule, dat het bewijsvermoeden voor schade 42 met voldoende zekerheid is weerlegd door corrosie als autonome oorzaak, en dat de voorgestelde herstelwijze voor schades 9 en 10 adequaat is. Ook de beoordeling van schade 40 als niet door mijnbouw veroorzaakt wordt bevestigd.
De Afdeling verklaart het hoger beroep en het beroep tegen het besluit van 14 augustus 2025 ongegrond en bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank. Het Instituut hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep en het beroep tegen het besluit worden ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.