ECLI:NL:RVS:2026:1600

Raad van State

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
202600650/2/V6
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:81 AwbRichtlijn 2015/637
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening consulaire bijstand voor vertrek uit Gaza voor studie

Verzoeker verblijft in Gaza en is toegelaten tot een masteropleiding in Nederland. Hij heeft een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor studie, die hij moet ophalen bij de Nederlandse ambassade in Amman, Jordanië. Verzoeker kan echter niet zonder hulp de grens van Gaza oversteken en verzocht de minister van Buitenlandse Zaken om consulaire bijstand. De minister wees dit verzoek af omdat verzoeker niet tot de groepen behoorde die voor consulaire bijstand in aanmerking komen en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

Verzoeker stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelt dat de vraag of de minister een publieke taak heeft aanvaard en of het besluit een besluit in de zin van de Awb is, in de bodemprocedure moet worden beantwoord. In deze voorlopige voorziening weegt de voorzieningenrechter het grote belang van verzoeker om zijn mvv op tijd op te halen en de schrijnende situatie in Gaza zwaarder dan het belang van de minister om niet voor een voldongen feit geplaatst te worden.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en beveelt de minister zich in te spannen om verzoeker via diplomatieke weg te helpen de grens te passeren. De minister hoeft geen verblijfsvergunning te verlenen of feitelijke evacuatie te verzorgen. De uitspraak is niet bindend voor de bodemprocedure. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Uitkomst: De minister wordt verplicht zich in te spannen om verzoeker consulaire bijstand te verlenen om Gaza te verlaten en zijn mvv op te halen.

Uitspraak

202600650/2/V6.
Datum uitspraak: 19 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend in Gaza,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 februari 2026 in zaken nrs. 25/9139 en 26/270 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
Bij brief van 8 december 2025 heeft de minister een verzoek van [verzoeker] om hem consulaire bijstand te verlenen om Gaza te verlaten, afgewezen.
Bij besluit van 28 december 2025 heeft de minister het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 16 februari 2026 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
Ook heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek gelijktijdig met zaak nr. 202600651/2/V6 op een zitting behandeld op 12 maart 2026, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. E.E.M. Bezem, advocaat in Amsterdam, vergezeld door mr. R.D.R. Walon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.V. de Kort, advocaat in Den Haag, vergezeld door mr. A.M.D.Y. Breedveld, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Inleiding
2.       [verzoeker] verblijft in Gaza en wil naar Nederland komen om een masteropleiding te volgen aan een Nederlandse universiteit. Hij is toegelaten tot deze masteropleiding en de minister van Asiel en Migratie heeft hem laten weten geen bezwaar te hebben tegen de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), zodat [verzoeker] in Nederland kan verblijven met een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel "studie". Hij moet deze mvv ophalen bij de Nederlandse ambassade in Amman, Jordanië. Het is volgens [verzoeker] echter niet mogelijk voor hem om zonder hulp van de minister de grens van Gaza over te steken. Hij heeft de minister daarom verzocht om consulaire bijstand, zodat hij Gaza kan verlaten.
De minister heeft het verzoek om consulaire bijstand afgewezen, omdat [verzoeker] op het moment van zijn verzoek niet behoorde tot één van de groepen die voor consulaire bijstand bij het verlaten van Gaza in aanmerking kwamen. De minister heeft het bezwaar van [verzoeker] vervolgens niet-ontvankelijk verklaard, omdat de afwijzing van het verzoek om consulaire bijstand volgens hem geen besluit is waartegen [verzoeker] bezwaar kan maken.
Verzoek en standpunt partijen
3.       [verzoeker] verzoekt de voorzieningenrechter om, vooruitlopend op het oordeel over het hoger beroep, een oordeel te geven over de ontvankelijkheid van het bezwaar. Daarnaast verzoekt [verzoeker] de voorzieningenrechter de minister op te dragen om hem consulaire bijstand te verlenen om Gaza te verlaten. Hij wijst er daarbij op dat hij de mvv binnen een bepaalde termijn moet ophalen en dat hij er belang bij heeft om Gaza zo snel mogelijk te verlaten, ook gelet op de situatie daar. Dit is volgens hem alleen mogelijk met hulp van de minister. De hulp die hij van de minister verlangt, namelijk dat de minister zich via diplomatieke weg inspant om ervoor te zorgen dat hij de grens over kan, vergt volgens [verzoeker] een geringe inspanning van de minister. [verzoeker] wijst er daarbij op dat de minister eerder andere personen heeft geholpen om uit Gaza te vertrekken, onder wie net als hij personen met een mvv voor het verblijfsdoel "studie".
4.       De minister wijst erop dat hij vanaf december 2023 een uitzondering heeft gemaakt voor personen die beschikten over een mvv voor verblijf bij een gezinslid in Nederland, door hen consulaire bijstand te bieden. Volgens de minister klopt het inderdaad dat hij eerder ook hulp heeft geboden aan een groep van zestien personen met een mvv voor een ander verblijfsdoel. Dit was volgens hem echter een eenmalige geste. Sinds 1 december 2025 verleent hij in het geheel geen hulp meer bij het verlaten van Gaza, ook niet aan Nederlanders of personen met een mvv voor verblijf bij een gezinslid. Bovendien bestaat er volgens de minister in Nederland geen recht op consulaire bijstand en kan hij dus niet verplicht worden deze hulp te bieden. De minister stelt zich ten slotte op het standpunt dat de voorlopige voorziening die [verzoeker] vraagt, te verstrekkend is. Toewijzing van het verzoek leidt er namelijk toe dat de Afdeling geen uitspraak in de bodemzaak meer hoeft te doen.
Geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel bodemzaak
5.       Het hoger beroep van [verzoeker] gaat over de vraag of de brief van 8 december 2025 waarin de minister zijn verzoek om consulaire bijstand heeft afgewezen, een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hoewel er geen specifiek wettelijk voorschrift is waarin consulaire bijstand is geregeld, betoogt [verzoeker] dat de minister de publieke taak aan zich getrokken heeft om zich in te spannen om bepaalde groepen personen te helpen om Gaza te verlaten. Volgens hem betekent dit dat de bestuursrechter bevoegd is om een oordeel te geven in dit soort zaken.
De minister is het daar niet mee eens. Hij betoogt dat het bieden van consulaire bijstand niet kan worden aangemerkt als een publieke taak. Er is volgens hem daarom geen sprake van een besluit. [verzoeker] kan zich volgens hem wenden tot de burgerlijke rechter.
6.       De voorzieningenrechter overweegt dat de vraag of de minister in dit geval een publieke taak aan zich heeft getrokken, zich niet leent voor beantwoording in deze procedure. Dit is namelijk een principiële vraag die de Afdeling verder moet onderzoeken. Deze vraag zal in de bodemprocedure beantwoord moeten worden. Dit betekent dat de voorzieningenrechter in deze procedure geen oordeel zal geven over de ontvankelijkheid van het bezwaar. De voorzieningenrechter zal daarom alleen beoordelen of het verzoek van [verzoeker] om bij wijze van voorlopige voorziening de minister op te dragen om hem consulaire bijstand te verlenen, moet worden toegewezen gelet op de aangevoerde belangen.
Belangenafweging
7.       De minister wijst er terecht op dat er in de Nederlandse wet geen recht op consulaire bijstand staat en dat hij in beginsel veel ruimte heeft om te bepalen hoe en onder welke omstandigheden hij consulaire bijstand verleent. Dit volgt onder meer uit de memorie van toelichting bij de implementatie van de richtlijn consulaire bescherming (Richtlijn 2015/637; Kamerstukken II 2016/17, 34 733, nr. 3, blz. 2). Maar in dit specifieke, bijzondere geval ziet de voorzieningenrechter toch aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter is namelijk van oordeel dat de door [verzoeker] voorgedragen belangen bij het ontvangen van consulaire bijstand in dit geval zwaarder wegen dan de belangen van de minister. Vast is komen te staan dat [verzoeker] zonder consulaire bijstand niet of zeer moeilijk Gaza kan verlaten om zijn mvv op te halen. [verzoeker] heeft dan ook een groot belang bij consulaire bijstand. Daarbij is ook gewezen op de schrijnende situatie in Gaza. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat het enige tijd kan duren voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Hierdoor bestaat het risico dat [verzoeker] bij een eventuele voor hem positieve uitkomst in de bodemprocedure niet meer in staat zal zijn om de mvv op te halen. Dit belang weegt voor de voorzieningenrechter zwaarder dan het belang van de minister om niet voor een voldongen feit geplaatst te worden. De voorzieningenrechter weegt daarbij ook mee dat de voorziening die [verzoeker] vraagt, een relatief kleine inspanning van de minister vraagt. Het gaat niet om het verlenen van een verblijfsvergunning of het verstrekken van een mvv. [verzoeker] vraagt ook geen hulp bij de reis naar Nederland of Jordanië of om feitelijke evacuatie uit Gaza. Hij vraagt de minister alleen om via diplomatieke weg te proberen te bereiken dat hij de grens mag oversteken, wat een inspanningsverplichting is. De minister van Asiel en Migratie heeft al laten weten dat hij geen bezwaar heeft tegen afgifte van de mvv aan [verzoeker], de mvv ligt klaar om afgehaald te worden en [verzoeker] voldoet dus al aan de voorwaarden voor verblijf in Nederland. De minister heeft zich bovendien niet op het standpunt gesteld dat deze inspanning op dit moment niet mogelijk is.
7.1.    De minister heeft op zitting aangevoerd dat het risico bestaat dat [verzoeker] toch niet blijkt te zijn wie hij zegt dat hij is, wanneer hij zich bij de Nederlandse ambassade meldt om zijn mvv op te halen en dat de mvv dan niet aan hem zal worden verstrekt. Omdat [verzoeker] zich op dat moment al in Jordanië zou bevinden, zou dit de diplomatieke relatie met Jordanië kunnen schaden wanneer [verzoeker] vervolgens niet terug kan keren naar Gaza. Nederland zou dan mogelijk gedwongen worden om [verzoeker] toe te laten, terwijl zijn identiteit niet vaststaat. De voorzieningenrechter acht dit echter geen zwaarwegend belang, omdat de minister geen concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht voor twijfel aan de identiteit van [verzoeker]. Bovendien heeft de minister op de zitting gezegd dat hij dit risico eerder heeft geaccepteerd bij de hiervoor genoemde groep van zestien personen.
Conclusie
8.       Gelet op de zeer bijzondere omstandigheden van dit geval, treft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening dat de minister zich moet inspannen om ervoor te zorgen dat [verzoeker] Gaza kan verlaten om de mvv op te halen. Hoe de minister precies invulling geeft aan deze opdracht om consulaire bijstand te verlenen, is aan hem.
9.       De voorzieningenrechter hecht eraan te benadrukken dat deze uitspraak niet betekent dat de Afdeling van oordeel is dat de afwijzing van het verzoek om consulaire bijstand een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Deze uitspraak betekent ook niet dat de Afdeling van oordeel is dat de minister de publieke taak aan zich heeft getrokken om in situaties als deze consulaire bijstand te verlenen. Dit zijn onderwerpen die aan bod zullen komen bij de behandeling van het hoger beroep.
10.     De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        treft de voorlopige voorziening dat de minister van Buitenlandse Zaken zich moet inspannen om ervoor te zorgen dat [verzoeker] Gaza kan verlaten om de mvv op te halen;
II.       veroordeelt de minister van Buitenlandse Zaken tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E. de Ruijter, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. De Ruijter
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026
887