202407434/1/V1.
Datum uitspraak: 13 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 december 2024 in zaak nr. NL24.35884 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 12 september 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 3 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen om een nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. F.W. Verweij, advocaat in Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 9 september 2025 heeft de minister de aanvraag van betrokkene opnieuw afgewezen.
Betrokkene heeft daartegen beroepsgronden ingediend.
Overwegingen
1. Betrokkene heeft de Afghaanse nationaliteit. In de periode tussen 1995 en 2014 heeft hij in Europa verbleven, waaronder enige tijd in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. In 2014 heeft hij daarvan afstand gedaan en is hij in het kader van remigratie naar Afghanistan vertrokken. In de periode daarna is hij meerdere keren teruggekeerd naar Nederland in het kader van asielaanvragen. In hoger beroep is in geschil of betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade, omdat hij langdurig in het Westen heeft verbleven en zich niet wil conformeren aan de religieuze leefregels die de Taliban hem zal opleggen.
2. De minister richt haar drie grieven tegen het oordeel van de rechtbank dat zij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene op grond van zijn individuele omstandigheden geen reëel risico loopt op ernstige schade, gelet op de onduidelijke risico's van een terugkeer uit het Westen naar Afghanistan.
3. In de uitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4648, onder 12 tot en met 12.2, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit informatie uit openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Vreemdelingen die vrijwillig terugkeren naar Afghanistan na een verblijf in het Westen, zijn daarom niet aan te merken als groep die een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister hoeft geen nader onderzoek te doen naar de risico’s voor Afghaanse vreemdelingen die terugkeren uit Europa. De minister moet bij de beoordeling van asielaanvragen van Afghaanse vreemdelingen die na de machtsovername door de Taliban vanuit een westers land terugkeren naar Afghanistan, wel deugdelijk motiveren of met het verblijf in het Westen in onderlinge samenhang bezien met de andere individuele omstandigheden een reëel risico op ernstige schade dreigt. Gelet op artikel 31 van de Vw 2000, is het in dat licht aan een vreemdeling die terugkeert vanuit het Westen om met individuele omstandigheden aannemelijk te maken waarom hij in de negatieve aandacht van de Taliban staat en dat die aandacht kan leiden tot een behandeling in strijd met artikel 15, onderdeel b, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 4 van het EU Handvest (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2793, onder 3.1). 3.1. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene niet alleen al door zijn verblijf in een westers land bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade. Betrokkene moet met de door hem aangevoerde individuele omstandigheden aannemelijk maken dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt. De rechtbank heeft in dat kader niet onderkend dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat de door betrokkene aangevoerde individuele omstandigheden dat hij geruime tijd in Nederland heeft verbleven, de Nederlandse nationaliteit heeft gehad en een niet-praktiserende moslim is, terwijl de Taliban in Afghanistan van hem zal verwachten dat hij een baard zal laten staan, vijf keer per dag zal bidden, zal vasten en niet in het openbaar naar muziek zal luisteren, onvoldoende zijn voor het oordeel dat betrokkene daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. De grieven slagen.
4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep tegen het besluit van 12 september 2024 alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
5. Het besluit van 9 september 2025 wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, in de beoordeling betrokken. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat aan dit besluit, dat de minister heeft genomen ter uitvoering van de vernietigde uitspraak van de rechtbank, de grondslag is komen te ontvallen. Om deze reden zal de Afdeling dat besluit vernietigen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 december 2024 in zaak nr. NL24.35884;
III. verklaart het beroep tegen het besluit van 12 september 2024, V-[…], ongegrond;
IV. vernietigt het besluit van 9 september 2025, V-[…].
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026
941-1118