ECLI:NL:RVS:2026:161
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en afwijzing asielaanvraag Afghaanse betrokkene na verblijf in Nederland
Betrokkene, van Afghaanse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 12 september 2024 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het besluit en beval een nieuw besluit. De minister stelde hiertegen hoger beroep in.
De kern van het geschil betrof de vraag of betrokkene aannemelijk had gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege zijn langdurig verblijf in het Westen en het niet willen conformeren aan de religieuze leefregels van de Taliban. De Afdeling oordeelde dat het enkel verblijven in het Westen niet automatisch een reëel risico oplevert en dat betrokkene met individuele omstandigheden dit moet onderbouwen.
De Afdeling stelde vast dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat de minister deugdelijk had gemotiveerd dat de door betrokkene aangevoerde omstandigheden onvoldoende waren om een reëel risico aan te nemen. Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep tegen het oorspronkelijke besluit alsnog ongegrond verklaard.
Daarnaast vernietigde de Afdeling het besluit van 9 september 2025, waarin de minister opnieuw de aanvraag afwees, omdat dit besluit zijn grondslag verloor door de vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het afwijzingsbesluit van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.