ECLI:NL:RVS:2026:1615

Raad van State

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
202600463/2/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 17.2.1 bestemmingsplan Zeist Centrum e.o.Art. 17.2.2 bestemmingsplan Zeist Centrum e.o.
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor verdeelstation nabij monumentale woning in Zeist

Het college van burgemeester en wethouders van Zeist verleende op 7 november 2024 een omgevingsvergunning aan Stedin Netbeheer B.V. voor het plaatsen van een verdeelstation op een parkeerterrein nabij de Tulpstraat 14 in Zeist. Deze vergunning werd aangevochten door een omwonende, die bezwaar maakte tegen de plaatsing vanwege mogelijke aantasting van zijn monumentale woning.

De rechtbank verklaarde het beroep van de omwonende ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Raad van State. De omwonende verzocht tevens om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat het verdeelstation geplaatst zou worden voordat het hoger beroep was behandeld.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het bouwplan slechts in geringe mate afwijkt van het bestemmingsplan en dat de zichtbaarheid van de monumentale woning slechts beperkt wordt beïnvloed. De erfgoedadviseur concludeerde dat de belangrijkste gevel niet wordt ontsierd en dat de belangenafweging door het college zorgvuldig is gemaakt.

Nieuwe gronden in het hoger beroep, zoals stralings- en geluidshinder, konden niet inhoudelijk worden besproken omdat deze niet eerder waren ingebracht. Gezien het voorlopige karakter van het oordeel en het ontbreken van gerede twijfel aan de rechtmatigheid van het besluit, wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor het verdeelstation wordt afgewezen.

Uitspraak

202600463/2/R4.
Datum uitspraak: 20 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend in Zeist,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 24 december 2025 in zaak nr. 25/4027 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Zeist.
Procesverloop
Bij besluit van 7 november 2024 heeft het college aan Stedin Netbeheer B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit ‘bouwwerken’ voor het plaatsen van een verdeelstation op het parkeerterrein ter hoogte van Tulpstraat 14 in Zeist.
Bij besluit van 22 mei 2025, gewijzigd bij besluit van 29 september 2025, heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 december 2025 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Stedin heeft een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 17 maart 2026, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. A.J.T.J. Meuwissen, advocaat in Afferden, en het college, vertegenwoordigd door R. Verschuure, zijn verschenen. Verder is op de zitting Stedin, vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1.       Op 4 september 2024 heeft Stedin een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een verdeelstation op het parkeerterrein ter hoogte van de Tulpstraat 14 in Zeist.
Bij besluit van 7 november 2024 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Volgens het college is het bouwplan in strijd met de regels van het bestemmingsplan "Zeist Centrum e.o.". Dat bestemmingsplan maakt deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Zeist. Het bouwplan voldoet niet aan de regels van dt bestemmingsplan, omdat een verdeelstation niet valt onder de toegestane bouwwerken zoals genoemd in artikel 17.2.1, aanhef en onder a, en omdat de op grond van artikel 17.2.2, aanhef en onder b, toegestane oppervlakte en bouwhoogte worden overschreden.
Bij besluit van 22 mei 2025 heeft het college het besluit van 7 november 2024 in stand gelaten.
Bij besluit van 29 september 2025 heeft het college een wijzigingsbesluit genomen en op verzoek van Stedin een ander type verdeelstation vergund.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.
Het verzoek om een voorlopige voorziening
2.       [verzoeker] woont in een gemeentelijk monument aan de [locatie] in Zeist. Het verdeelstation is voorzien op een parkeerterrein dat grenst aan de achterzijde van zijn perceel. Het verzoek om een voorlopige voorziening is erop gericht om te voorkomen dat het verdeelstation wordt geplaatst voordat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep van [verzoeker].
[verzoeker] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat Stedin bij brief van 4 maart 2026 aan de Afdeling heeft laten weten het verdeelstation te gaan plaatsen in week 13 van 2026 en niet te wachten tot het hoger beroep bij de Afdeling wordt behandeld.
Beoordeling van het verzoek
3.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
4.         De voorzieningenrechter zal het verzoek beoordelen aan de hand van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel. Dat betekent dat de voorzieningenrechter een inschatting maakt of de uitspraak van de rechtbank in de bodemprocedure in stand zal blijven. Als de voorzieningenrechter in de hoger beroepsgronden van [verzoeker] redenen vindt voor gerede twijfel aan de uitspraak van de rechtbank, dan kan dat aanleiding zijn om de gevraagde voorziening toe te wijzen.
5.       [verzoeker] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen voor zijn monumentale woning aan de Tulpstraat 14. Hij voert in dit verband aan dat de zichtbaarheid van de zij- en achtergevel van zijn woning vanuit de openbare ruimte wordt beperkt door de plaatsing van het verdeelstation.
5.1.    De voorzieningenrechter stelt vast dat het verdeelstation op korte afstand van de zij- en achtergevel van de woning van [verzoeker] op het naastgelegen parkeerterrein wordt geplaatst. De gemeentelijke erfgoedadviseur heeft beoordeeld of de plaatsing van het verdeelstation aantasting van het monument door ontsiering of beschadiging zou veroorzaken. Daarbij is geconcludeerd dat de vanuit monumentaal oogpunt belangrijkste gevel, de voorgevel aan de Tulpstraat, niet wordt ontsierd door de plaatsing van het verdeelstation. De beleving van de voorgevels verandert niet, omdat het verdeelstation achter het verlengde van de achtergevel van het monumentale pand komt te liggen. Vanuit de Tulpstraat bezien blijft bovendien voor het verdeelstation de bestaande groenstrook met opgaand groen liggen. De zichtbaarheid van de zij- en achtergevel wordt volgens de erfgoedadviseur weliswaar enigszins belemmerd door de plaatsing van het verdeelstation, maar deze gevels hebben volgens de erfgoedadviseur niet een dusdanig hoge monumentale waarde dat van een onevenredige aantasting sprake is, mede gelet op het algemeen belang dat met het realiseren van het verdeelstation is gediend.
Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat het grootste gedeelte van de woning van [verzoeker] al aan het zicht wordt onttrokken door een tuinmuur die langs de erfgrens is geplaatst. Daarnaast heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat wat betreft de hoogte sprake is van slechts een geringe afwijking van het bestemmingsplan. Het te plaatsen verdeelstation heeft een hoogte van 3,26 m en is daarmee 26 cm hoger dan de bouwhoogte die op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter wordt het zicht vanuit de openbare ruimte op de zij- en achtergevel van de monumentale woning van [verzoeker] maar beperkt weggenomen door de geringe overschrijding van de op grond van het bestemmingsplan toegestane bouwhoogte.
Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor gerede twijfel aan de conclusie van de rechtbank dat het college in de belangenafweging voldoende aandacht heeft besteed aan de gevolgen van de plaatsing van het verdeelstation voor de monumentale woning van [verzoeker].
6.       Verder ziet de voorzieningenrechter in hetgeen [verzoeker] voor het overige naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de uitspraak van de rechtbank in de bodemprocedure niet in stand zal blijven en/of dat het college de omgevingsvergunning uiteindelijk niet had mogen verlenen.
7.       De voorzieningenrechter stelt verder vast dat [verzoeker] in zijn hoger beroepschrift verschillende nieuwe gronden heeft aangevoerd, onder meer over stralings-, trillings-, geluid-, en lichthinder, waardevermindering van zijn woning en verkeersveiligheid, terwijl er geen belemmering was om die gronden al in de fase van beroep naar voren te brengen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kunnen deze gronden niet inhoudelijk  worden besproken.
Conclusie
8.       Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
9.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.
w.g. Borman
voorzieningenrechter
w.g. Melenhorst
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026
490