ECLI:NL:RVS:2026:1622

Raad van State

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
BRS.26.001236
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning asiel en inreisverbod

Verzoeker kreeg op 13 november 2024 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, die door de minister van Asiel en Migratie werd ingetrokken met een bevel tot onmiddellijke vertrek uit Nederland en een inreisverbod. Verzoeker stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 27 januari 2026 ongegrond verklaarde. Hiertegen stelde verzoeker hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft op 20 maart 2026 besloten dat verzoeker niet wordt uitgezet en dat de rechtsgevolgen van het intrekkingsbesluit worden geschorst totdat het hoger beroep is afgerond. Tevens wordt verzoeker behandeld alsof hij nog steeds in het bezit is van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De minister is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, bestaande uit kosten van rechtsbijstand.

Deze voorlopige voorziening beschermt de belangen van verzoeker gedurende de procedure en voorkomt onomkeerbare gevolgen voordat het hoger beroep inhoudelijk is behandeld.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet en de rechtsgevolgen van het intrekkingsbesluit worden geschorst totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

BRS.26.001236
Datum uitspraak: 20 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[betrokkene],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 27 januari 2026 in zaak nr. NL24.48790 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 13 november 2024 heeft de minister de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken, bepaald dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 27 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet, dat de rechtsgevolgen van het besluit van 13 november 2024 worden geschorst en dat hij wordt behandeld alsof hij in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2.        Gelet op de belangen die de minister en verzoeker naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, dat de rechtsgevolgen van het besluit van 13 november 2024 worden geschorst en dat verzoeker wordt behandeld alsof hij in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van €934,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. M.C. Stoové
voorzieningenrechter
w.g. W.M. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026
644-1182