ECLI:NL:RVS:2026:1637

Raad van State

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
202401122/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet openbaarheid van bestuurArt. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing Wob-verzoek inzake besluit bijzondere bijstand inrichtingskosten

Appellante heeft op 13 september 2021 bij het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen een verzoek ingediend op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om openbaarmaking van informatie over het besluit tot aanpassing van de vergoeding voor bijzondere bijstand inrichtingskosten najaar 2018.

Het college verstrekte op 21 oktober 2021 twee reeds openbare documenten, te weten het collegevoorstel en de raadsbrief van 25 september 2018, en gaf aan dat er geen andere documenten waren gevonden. Dit standpunt werd op 10 januari 2022 bevestigd. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond op 15 januari 2024.

In hoger beroep betoogde appellante dat het college het daadwerkelijke besluit had moeten verstrekken in plaats van de twee documenten. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellante geen concrete aanwijzingen had geleverd voor het bestaan van andere documenten en dat de rechtbank gemotiveerd had geoordeeld dat het college aan zijn verplichtingen had voldaan.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het college werd niet verplicht tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202401122/1/A3.
Datum uitspraak: 18 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Nijmegen,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 januari 2024 in zaak nr. 22/1061 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen.
Openbare zitting gehouden op 18 maart 2026 om 11:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad: mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. T. Hartsuiker
jurist: mr. B. Dijkhoff
Verschenen:
Het college, digitaal vertegenwoordigd door mr. A.J. Vaessen
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 januari 2024. In die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit van 10 januari 2022 ongegrond verklaard.
Beslissing:
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Gronden:
1. [appellante] heeft het college op 13 september 2021 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om openbaarmaking van informatie over het besluit aanpassing vergoeding bijzondere bijstand inrichtingskosten najaar 2018 verzocht. Met het besluit van 21 oktober 2021 heeft het college twee — al openbare documenten — aan [appellante] verstrekt, namelijk het collegevoorstel van 25 september 2018 en de raadsbrief van 25 september 2018 en meegedeeld dat er geen andere documenten zijn aangetroffen. Met het besluit van 10 januari 2022 is het college bij dit besluit gebleven.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de documenten die bestaan en vallen onder de reikwijdte van het Wob-verzoek heeft verstrekt. [appellante] heeft volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat er meer (of andere) documenten over het besluit aanpassing vergoeding bijzondere bijstand inrichtingskosten najaar 2018 onder het college berusten. Zij heeft namelijk geen concrete aanknopingspunten, feiten of omstandigheden aangeleverd die wijzen op het bestaan van meer documenten die betrekking hebben op het besluit aanpassing vergoeding bijzondere bijstand inrichtingskosten najaar 2018.
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de documenten die bestaan en vallen onder de reikwijdte van het Wob-verzoek aan haar heeft verstrekt. Het Wob-verzoek is namelijk gericht op het besluit aanpassing vergoeding bijzondere bijstand inrichtingskosten najaar 2018, niet op het collegevoorstel van 25 september 2018 en de raadsbrief van 25 september 2018. Het college had het besluit moeten verstrekken, aldus [appellante].
4. De grond die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd is zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4.1. tot en met 4.5. opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
5. Het hoger beroep is ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hartsuiker
griffier
620-1101