Appellant, een Marokkaanse niet-begeleide minderjarige die asiel heeft aangevraagd in Nederland, kreeg aanvankelijk een afwijzing van zijn asielaanvraag. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en beval nader onderzoek naar adequate opvang in Marokko. De minister weigerde vervolgens ambtshalve een verblijfsvergunning regulier toe te kennen, met als reden dat appellant onvoldoende meewerkte aan het onderzoek naar opvang.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het onderzoek van de minister naar adequate opvang niet voortvarend en deugdelijk gemotiveerd is uitgevoerd. Er is onvoldoende gebruik gemaakt van alternatieve informatievergaring en overleg met gemachtigden, terwijl appellant vanwege zijn psychische problematiek en suïcidaal gedrag beperkt was in zijn medewerking.
Daarnaast heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met de bijzondere kwetsbaarheid van appellant en diens medische situatie bij de beoordeling van de meewerkplicht. De Afdeling vernietigt daarom het besluit en draagt de minister op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij het onderzoek adequaat en zorgvuldig moet worden uitgevoerd.
Uitkomst: Het besluit van de minister wordt vernietigd wegens ondeugdelijk onderzoek en onvoldoende motivering, met opdracht tot een nieuw besluit binnen twaalf weken.
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 15 april 2025 in zaak nr. NL25.1577 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 januari 2025 heeft de minister geweigerd om appellant ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 15 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. G.J. Dijkman, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant is geboren op [geboortedatum] 2005 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Toen hij 15 jaar oud was, heeft hij als niet-begeleide minderjarige in Nederland een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 30 november 2022. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 19 januari 2023 het beroep tegen dat besluit gegrond verklaard voor zover de minister een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op basis van het buitenschuldbeleid voor niet-begeleide minderjarigen heeft afgewezen en een terugkeerbesluit heeft genomen. Daarbij heeft de rechtbank de minister opgedragen om nader onderzoek te doen naar adequate opvang in Marokko. De afwijzing van de asielaanvraag staat in rechte vast.
1.1. Bij besluit van 7 januari 2025 heeft de minister opnieuw geweigerd om appellant een verblijfsvergunning regulier te verlenen op grond van het buitenschuldbeleid voor niet-begeleide minderjarigen. Wel heeft hij aan appellant uitstel van vertrek verleend met ingang van 18 december 2024 voor zes maanden in afwachting van de beslissing op de ambtshalve beoordeling over toepassing van artikel 64 vanPro de Vw 2000. De minister heeft in het besluit toegelicht dat hij, om te voldoen aan de uitspraak van de rechtbank van 19 januari 2023, één jaar lang heeft geprobeerd om een aanvullend gehoor in te plannen. Appellant was echter niet in staat om gehoord te worden wegens zijn psychische problematiek en suïcidaal gedrag. Medi-First heeft vier rapporten uitgebracht met een negatief hooradvies: op 26 april 2023, 30 mei 2023, 3 juli 2023 en 13 oktober 2023. Uit een nota van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) van 8 februari 2024 volgt dat de aanwezigheid van adequate opvang niet tijdig kon worden vastgesteld en dat dit evident niet te wijten valt aan een gebrek aan medewerking van appellant. De minister heeft vervolgens na meerderjarigheid van appellant het onderzoek naar adequate opvang voortgezet en bezien of hij alsnog in aanmerking komt voor vergunningverlening. Zo heeft de minister op 1 februari 2024 schriftelijke vragen gesteld aan appellant. Appellant heeft op 11 maart 2024 een schriftelijke reactie ingediend. Door de aanvullende vragen niet volledig te beantwoorden, heeft appellant volgens de minister echter onvoldoende meegewerkt aan het onderzoek.
Heeft de minister voortvarend gehandeld bij het onderzoek naar adequate opvang?
2. In zijn eerste grief klaagt appellant terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld in zijn onderzoek naar adequate opvang en dat hij dit op voldoende wijze inzichtelijk heeft gemaakt. Daarbij voert hij terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd wat hij in de periode voorafgaand aan de meerderjarigheid heeft gedaan en waarom hij het onderzoek niet in een eerder stadium heeft kunnen afronden. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, onder 14-14.4, over het arrest van het Hof van Justitie van 14 januari 2021, TQ, ECLI:EU:C:2021:9.
2.1. De minister heeft in het besluit en het daarin ingelaste voornemen toegelicht dat het onderzoek naar adequate opvang vertraging heeft opgelopen, omdat het hem niet is gelukt om een aanvullend gehoor in te plannen. Verder heeft de minister in zijn besluit verwezen naar de nota van de DT&V. Uit deze nota volgt dat de onderzoeksperiode van 2 december 2022 tot en met 5 december 2023 liep, dat de DT&V niet heeft kunnen spreken met appellant over opvangmogelijkheden in Marokko en dat het onderzoek verder beperkt was tot twee belpogingen met de ouders en een gesprek met de voogd van [persoon]. Er is geen onderzoek gedaan naar opvang in een opvanghuis of andere vormen van lokale opvang. Hoewel de negatieve hooradviezen een bemoeilijkende factor zijn geweest, heeft de minister ondeugdelijk gemotiveerd hoe hij voortvarend heeft gehandeld en daarbij op gepaste wijze invulling heeft gegeven aan het onderzoek naar adequate opvang. Niet is gebleken dat de minister voorafgaand aan de meerderjarigheid van appellant met diens gemachtigde heeft overlegd over de te treffen voorzieningen dan wel alternatieven voor horen. De minister heeft dan ook ondeugdelijk gemotiveerd waarom hij tot 1 februari 2024 heeft gewacht met het stellen van schriftelijke vragen. Ook heeft de minister ondeugdelijk gemotiveerd waarom hij voorafgaand aan de meerderjarigheid van appellant geen gebruik heeft gemaakt van alternatieve of aanvullende vormen van informatievergaring, als bedoeld in de door hem aangehaalde Werkinstructie 2024/9 ‘Medische problematiek en horen en beslissen in de asielprocedure’, paragraaf 4.6.
2.2. De eerste grief slaagt.
De gedeelde verantwoordelijkheid bij het onderzoek naar adequate opvang
3. In zijn tweede grief klaagt appellant terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister op grond van de reactie van appellant op de schriftelijke vragen niet ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat appellant onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang en daarom niet, met terugwerkende kracht, in aanmerking komt voor vergunningverlening. Daarbij wijst appellant terecht op zijn bijzondere kwetsbaarheid wegens medische omstandigheden. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 4 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3033, onder 3.1-3.6, waarin zij heeft geoordeeld dat de minister op grond van het arrest TQ bij het onderzoek naar adequate opvang, in het bijzonder in het kader van de eis dat een vreemdeling actief en volledig meewerkt aan het onderzoek, rekening moet houden met het belang van het kind en met een aantal aspecten, waaronder de leeftijd, bijzondere kwetsbaarheid en de fysieke en mentale gezondheid van de betrokken vreemdeling.
3.1. De minister heeft zich in het besluit en het daarin ingelaste voornemen op het standpunt gesteld dat appellant na de schriftelijke vragen onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang, omdat hij geen concrete adresgegevens en telefoonnummers van zijn ooms in Marokko heeft verstrekt. De minister stelt dat niet is gebleken dat hij niet in staat was om de schriftelijke vragen volledig te beantwoorden wegens zijn medische situatie. Uit de negatieve hooradviezen, het verslag van de gedragswetenschapper van 17 oktober 2023, het GGZ-behandelplan van 11 juni 2024 en de omstandigheid dat de minister ambtshalve heeft willen onderzoeken of artikel 64 VwPro 2000 toegepast moest worden, volgt - in onderlinge samenhang bezien - echter genoegzaam dat de medische situatie van appellant van grote invloed is geweest op de mate waarin hij invulling heeft kunnen geven aan zijn meewerkplicht. Ook in de reactie op de schriftelijke vragen van de minister heeft zijn gemachtigde benadrukt hoe bezwarend het is voor appellant om te spreken over zijn verleden en zijn familieleden en daarbij toegelicht dat het op dat moment erg slecht ging door problemen met de beëindiging van zijn opvang. Niet is gebleken dat de minister appellant in de periode tussen de reactie op de schriftelijke vragen en het nemen van het besluit de mogelijkheid heeft geboden om de ontbrekende informatie aan te vullen, dan wel dat hij rekening houdend met zijn persoonlijke omstandigheden hem daarin heeft geadviseerd en ondersteund. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt of, en zo ja, op welke wijze, hij rekening heeft gehouden met het belang van appellant en zijn individuele situatie bij de beantwoording van de vraag of hij in samenwerking met hem voldoende onderzoek heeft gedaan naar adequate opvang in Marokko. De rechtbank heeft niet onderkend dat het besluit daarom onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd.
3.2. De tweede grief slaagt.
Conclusie
4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 7 januari 2025. De minister moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 15 april 2025 in zaak nr. NL25.1577;
III. vernietigt het besluit van 7 januari 2025, V-[…];
IV. draagt de minister van Asiel en Migratie op om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.269,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.