ECLI:NL:RVS:2026:1669
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag
Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 9 januari 2026 niet in behandeling genomen. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 16 maart 2026 ongegrond verklaarde. Vervolgens heeft verzoeker hoger beroep ingesteld bij de Raad van State en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening beoordeeld. Verzoeker vroeg om te voorkomen dat hij wordt overgedragen aan Duitsland voordat op het hoger beroep is beslist, en om opvang en verstrekkingen te ontvangen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd en dat de belangen van de minister en verzoeker in dit stadium geen voorlopige voorziening rechtvaardigen.
De overdracht aan Duitsland is gebaseerd op de Dublinverordening en heeft geen onomkeerbare gevolgen, omdat verzoeker eventueel vanuit Duitsland kan worden teruggeleid naar Nederland indien Nederland uiteindelijk verantwoordelijk wordt geacht. Daarom werd het verzoek afgewezen en hoeft de minister geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de overdracht en het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt afgewezen.