ECLI:NL:RVS:2026:1670
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit minister van Asiel en Migratie
Verzoeker is bij besluit van 28 juli 2025 door de minister van Asiel en Migratie opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 11 februari 2026 het beroep ongegrond verklaarde. Hiertegen is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Verzoeker heeft tevens een voorlopige voorziening gevraagd om te voorkomen dat hij wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist, en om opvang en verstrekkingen te ontvangen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld en geoordeeld dat niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd.
Gezien de belangen van zowel de minister als verzoeker heeft de voorzieningenrechter besloten geen voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan op 25 maart 2026 door voorzieningenrechter B. Meijer.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het uitzettingsbesluit is afgewezen.