ECLI:NL:RVS:2026:1670

Raad van State

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
BRS.26.001375
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit minister van Asiel en Migratie

Verzoeker is bij besluit van 28 juli 2025 door de minister van Asiel en Migratie opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten. Verzoeker stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 11 februari 2026 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde verzoeker hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet uitgezet zou worden voordat op het hoger beroep is beslist en om opvang en verstrekkingen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht. Naar voorlopig oordeel is niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Gezien de belangen van zowel de minister als verzoeker is het niet gerechtvaardigd een voorlopige voorziening te treffen.

Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af en bepaalt dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan op 25 maart 2026 door voorzieningenrechter B. Meijer in aanwezigheid van griffier A.M.L. Hanrath.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het uitzettingsbesluit wordt afgewezen.

Uitspraak

BRS.26.001375
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 februari 2026 in zaak nr. NL24.9262 in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 28 juli 2025 heeft de minister verzoeker opgedragen om de Europese Unie binnen vier weken te verlaten.
Bij uitspraak van 11 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.        Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Gelet op de belangen die de minister en verzoeker naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening.
3.        De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Meijer
voorzieningenrechter
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
392