ECLI:NL:RVS:2026:1670
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit minister van Asiel en Migratie
Verzoeker is bij besluit van 28 juli 2025 door de minister van Asiel en Migratie opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten. Verzoeker stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 11 februari 2026 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde verzoeker hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet uitgezet zou worden voordat op het hoger beroep is beslist en om opvang en verstrekkingen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht. Naar voorlopig oordeel is niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Gezien de belangen van zowel de minister als verzoeker is het niet gerechtvaardigd een voorlopige voorziening te treffen.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af en bepaalt dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan op 25 maart 2026 door voorzieningenrechter B. Meijer in aanwezigheid van griffier A.M.L. Hanrath.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het uitzettingsbesluit wordt afgewezen.