AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing aanvraag overname informele private schuld in toeslagenaffaire
De zaak betreft het hoger beroep van een gedupeerde in de kinderopvangtoeslagenaffaire die verzocht om overname van een schuld van €32.400 bij de vader van haar kinderen. De Belastingdienst/Toeslagen wees de aanvraag af omdat de schuld niet was vastgelegd in een notariële akte en niet bleek uit een rechterlijke uitspraak, zoals vereist volgens de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de schuld niet opeisbaar was voor 1 juni 2021 en dat er geen bijzondere of schrijnende omstandigheden waren die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigden. De appellant voerde aan dat zij door lichamelijke klachten en financiële druk niet in staat was de schuld af te lossen en dat de schuld wel degelijk bestond en opeisbaar was.
De Raad van State oordeelde dat de appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de hardheidsclausule toegepast moest worden. De overgelegde stukken boden geen zekerheid over het bestaan, de hoogte en opeisbaarheid van de schuld. Ook ontbraken aanwijzingen voor serieuze financiële nood of medische omstandigheden. De Afdeling bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag tot overname van de informele schuld wordt bevestigd.
Uitspraak
202502496/1/A2.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 maart 2025 in zaak nr. 24/3787 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 12 januari 2024 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellante] tot overname van haar private schuld afgewezen.
Bij besluit van 23 mei 2024 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting op 10 maart 2026 aan de orde gesteld.
Overwegingen
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht).
2. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. De voor dit geschil relevante bepalingen van die wet zijn opgenomen in de bijlage.
3. [appellante] is een erkend gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Zij heeft de minister in het kader van de hersteloperatie toeslagen verzocht om overname van een schuld van € 32.400,00 bij [persoon], de vader van haar kinderen.
Besluitvorming
4. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de schuld bij [persoon] een informele schuld is die niet is vastgelegd in een notariële akte en ook niet blijkt uit een rechterlijke uitspraak. De informele schuld voldoet daarmee niet aan de voorwaarde, bepaald in artikel 4.1, tweede lid, onderscheidenlijk derde lid, onder b, van de Wht. Het rekeningoverzicht is niet met een notariële akte vergelijkbaar. Verder heeft [appellante] geen officiële stukken overgelegd, waaruit blijkt dat de schuld aan [persoon] opeisbaar is geworden en wat de hoogte is van de schuld.
5. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er geen bijzondere of schrijnende omstandigheden zijn op grond waarvan moet worden aangenomen dat toepassing moet worden geven aan de hardheidsclausule. Dat [appellante] ten tijde van het aangaan van de schuld bij [persoon] niet wist dat een notariële akte noodzakelijk was voor het overnemen van de schuld, maakt dit niet anders.
Uitspraak van de rechtbank
6. De rechtbank heeft geoordeeld dat de schuld bij [persoon] niet is neergelegd in een notariële akte en dat ook niet is gebleken dat die schuld opeisbaar was voor 1 juni 2021. Zo heeft [appellante] toegelicht dat zij de schuld aan [persoon] nog niet hoefde terug te betalen, omdat [persoon] wist dat zij daartoe niet in staat was.
7. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de minister niet de hardheidsclausule hoefde toe te passen. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er bijzondere of schrijnende omstandigheden zijn, waardoor het niet overnemen van de private schuld leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Zij heeft juist goede afspraken met [persoon] gemaakt over het afbetalen van de schuld. Ook heeft zij niet aangevoerd dat zij financiële problemen heeft.
Beoordeling van het hoger beroep
8. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de hardheidsclausule niet toegepast hoefde te worden in haar geval. Door de terugvorderingen van kinderopvangtoeslagen was zij genoodzaakt extra te werken, waardoor zij lichamelijke klachten heeft gekregen. Zij kan daardoor nu niet meer dan 10 uur per week werken, waardoor zij financieel bijna niet rond kan komen. De zorg voor haar drie minderjarige kinderen staat hierdoor onder druk. Daarbij komt dat [appellante] ook niet meer de schuld aan [persoon] kan aflossen. Verder volgt volgens haar uit de overgelegde stukken wel het bestaan van de schuld bij [persoon], alsook dat die opeisbaar is.
8.1. In artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht is een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 4.1, voor zover de toepassing daarvan, gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
8.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:456, onder 7.3) kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien is daarbij niet van doorslaggevend belang. Een bijzondere situatie waarbij het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs voor het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken zodanig onbillijk is dat de hardheidsclausule kan worden toegepast, is bijvoorbeeld het geval dat aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.
8.3. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister niet de hardheidsclausule hoefde toe te passen. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het niet overnemen van de schuld bij [persoon] onbillijk uitpakt of leidt tot schrijnende omstandigheden. Zo kan uit de door [appellante] aangevoerde stukken, te weten de bankafschriften, niet met zekerheid worden afgeleid dat zij een schuld heeft bij [persoon], wat daarvan de hoogte is en wanneer deze opeisbaar is geworden. Van serieuze en structurele financiële nood, ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden is niet gebleken. [appellante] is ook niet op de zitting van de Afdeling verschenen om haar beroep op dit punt verder toe te lichten.
8.4. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
10. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Voort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
1062
BJLAGE
WETTELIJK KADER
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 4.1. Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag
1. Onze Minister neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 vanPro Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, of een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, tenzij op die aanvrager, die partner of die ex-partner artikel 4.6 of 4.7 van toepassing is.
2. De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
3. Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn:
[…].
b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt;
[…].
Artikel 9.1. Hardheidsclausule
1. De Dienst Toeslagen kan bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van 2.1, 2.6, 2.7, 2.10, 2.11, 2.11a, 2.11b, 2.14, 2.14a, 2.16, 2.17, 3.1, 4.6, 4.7 of 6.1 voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning.
2. Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan:
a. Onze Minister afwijken van artikel 2.15, 2.15a, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3;