ECLI:NL:RVS:2026:1701

Raad van State

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
202502802/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 Wet hersteloperatie toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag 2014 in toeslagenaffaire

Appellant heeft zich in oktober 2020 gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om herbeoordeling van zijn recht op kinderopvangtoeslag over 2014. De Dienst Toeslagen heeft dit verzoek voorgelegd aan de Commissie van Wijzen, die concludeerde dat er geen sprake was van institutioneel vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel. Op basis van dit advies wees de Dienst Toeslagen het verzoek af.

Appellant maakte bezwaar, dat eveneens ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel in april 2025. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Hij voerde aan dat de terugvordering onevenredig hoog was door de verdeling van opvanguren over acht maanden en dat hij eerder telefonisch had verzocht om stopzetting van de toeslag. Ook stelde hij dat hem geen passende betalingsregeling was geboden.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de terugvordering een reguliere correctie betrof, gebaseerd op minder afgenomen opvanguren en een hoger gezinstoetsingsinkomen dan aanvankelijk berekend. Dit is volgens de memorie van toelichting bij de Wet hersteloperatie toeslagen geen hardheid van het stelsel. Er was geen bewijs dat appellant eerder dan november 2014 een stopzettingsverzoek had ingediend. Ook het ontbreken van een betalingsregeling op maat leidt niet tot hardheid van het stelsel. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van compensatie bevestigd.

Uitspraak

202502802/1/A2.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Holland van 3 april 2025 in zaak nr. 24/1929 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 7 juni 2022 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellant] meegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie over het jaar 2014.
Bij besluit van 26 maart 2024 heeft de Dienst Toeslagen het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 februari 2026, waaraan [appellant], vergezeld door zijn echtgenote en bijgestaan door mr. M. Heimensem, advocaat in Hoorn, per videoverbinding heeft deelgenomen, en waar de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] heeft zich op 24 oktober 2020 gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van zijn recht op kinderopvangtoeslag over het jaar 2014. De Dienst Toeslagen heeft dit verzoek voorgelegd aan de Commissie van Wijzen (hierna: de CvW). De CvW is in haar advies van 14 april 2022 tot de conclusie gekomen geen sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel. De Dienst Toeslagen heeft onder verwijzing naar dit advies het verzoek om compensatie van [appellant] afgewezen.
2.       Het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar heeft de Dienst Toeslagen onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie ongegrond verklaard. Omdat [appellant] minder opvanguren heeft afgenomen en een hoger gezinstoetsingsinkomen had, dan waar in de berekening van de voorschotten van was uitgegaan, is het recht op kinderopvangtoeslag bij definitieve beschikking verlaagd vastgesteld en is de teveel ontvangen kinderopvangtoeslag teruggevorderd. Dit is een reguliere correctie die niet duidt op institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel. Het verzoek tot stopzetting heeft de Dienst Toeslagen niet eerder dan 10 november 2014 ontvangen, waardoor de kinderopvangtoeslag niet eerder is stopgezet.
De uitspraak van de rechtbank
3.       De rechtbank heeft overwogen dat uit de memorie van toelichting bij artikel 2.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen volgt dat geen sprake is van hardheid van het stelsel wanneer, zoals in het geval van [appellant], de terugvordering het gevolg is van een lager aantal afgenomen opvanguren en/of een hoger gezinstoetsingsinkomen dan op basis waarvan de voorschotten zijn berekend. Dat de Dienst Toeslagen het totaal aantal afgenomen opvanguren over de gehele toeslagperiode heeft verdeeld, leidt er, anders dan [appellant] meent, niet toe dat de terugvordering onevenredig hoog is. Ook doen zich geen andere in de memorie van toelichting benoemde aspecten of bijzondere omstandigheden voor die duiden op institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel. De enkele omstandigheid dat volgens [appellant] hem geen betalingsregeling op maat is geboden, kan niet tot een andere conclusie leiden. Verder heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij eerder dan 10 november 2014 heeft verzocht om stopzetting van de kinderopvangtoeslag.
Hoger beroep
4.       [appellant] betoogt dat hij is benadeeld doordat de Dienst Toeslagen het totaal aantal afgenomen opvanguren heeft verdeeld over een toeslagperiode van acht maanden en daardoor op een lager gemiddeld aantal opvanguren per maand is uitgekomen. Verder is er volgens hem al in augustus 2014 telefonisch contact geweest met de Dienst Toeslagen over het stopzetten van de kinderopvangtoeslag. De combinatie van het blijven uitbetalen van een toeslag die hij niet meer wilde hebben en het weigeren van een betalingsregeling die door hem wel op te brengen was, maakt dat sprake is van hardheid van het stelsel.
4.1.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat geen sprake is van een onevenredig hoge terugvordering die duidt op hardheid van het stelsel. [appellant] heeft uiteindelijk kinderopvangtoeslag ontvangen over de daadwerkelijk afgenomen opvanguren en op basis van het definitief vastgestelde gezinstoetsingsinkomen en dus ontvangen waar hij recht op had. Alleen de teveel uitbetaalde kinderopvangtoeslag is teruggevorderd. Dat is ook door de gemachtigde van [appellant] op de zitting bevestigd. Bovendien wordt de situatie, waarin de terugvordering het gevolg is van een hoger gezinstoetsingsinkomen en/of een lager aantal afgenomen opvanguren dan op basis waarvan de voorschotten zijn berekend, zoals in het geval van [appellant] aan de orde is, in de memorie van toelichting bij artikel 2.1 van de Wht expliciet als voorbeeld wordt genoemd van een situatie waarin geen sprake is van hardheid van het stelsel. Er is dan namelijk sprake van een reguliere correctie die inherent is aan het toeslagensysteem. In de door [appellant] overgelegde verklaringen staat beschreven dat kort nadat zijn vrouw haar baan verloor contact is opgenomen met de Belastingdienst om te informeren naar de gevolgen daarvan op de kinderopvangtoeslag en dat in de maand augustus voor het laatst gebruik is gemaakt van kinderopvang. Daaruit kan niet worden afgeleid dat [appellant] eerder dan 10 november 2014 daadwerkelijk een verzoek om stopzetting van de kinderopvangtoeslag heeft gedaan. Verder is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat, zelfs al zou [appellant] geen betalingsregeling op maat zijn geboden, deze enkele omstandigheid op zichzelf, zonder verdere bijkomende omstandigheden, niet maakt dat sprake is van hardheid van het stelsel.
Conclusie
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6.       De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
284-1160