ECLI:NL:RVS:2026:1743

Raad van State

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
202404629/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel Gülenbeweging

Appellant, een Turkse nationaliteit houdende vrouw geboren in 2003, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 7 maart 2024 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat de beleidswijziging van 1 december 2023, die het risicogroepenbeleid voor Gülenisten aanscherpte, rechtmatig is. Echter, de Afdeling stelde vast dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft waarom appellant als dochter van een veroordeelde Gülenist niet in aanmerking komt voor vervolgingsgevaar. Ook werd onvoldoende rekening gehouden met de activiteiten van appellant in Peru en Nederland en de mogelijke negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten.

De Afdeling vernietigde daarom het besluit van 7 maart 2024 en de uitspraak van de rechtbank. De minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met de nieuwe feiten en omstandigheden die appellant heeft aangevoerd, waaronder een arrestatiebevel voor een vriendin. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

202404629/1/V2.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 22 juli 2024 in zaak nr. NL24.10539 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 22 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Appellant heeft daarop gereageerd.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaken nrs. 202407037/1/V2 en 202501574/1/V2 ter zitting behandeld op 13 augustus 2025, waar appellant, bijgestaan door mr. M.P.J.W.M. Govers, advocaat in Tilburg, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.A. Wildeboer en mr. R.A. Visser, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Appellant is geboren op [geboortedatum] 2003 en heeft de Turkse nationaliteit. Zij heeft vóór de mislukte couppoging van 15 juli 2016, waarvoor de Turkse autoriteiten de Gülenbeweging verantwoordelijk houden, in Turkije onderwijs gevolgd aan verschillende aan die beweging verbonden scholen. Ook heeft zij religieuze bijeenkomsten van de Gülenbeweging, genaamd ‘sohbets’, bijgewoond. In 2021 is appellant met een studievisum van Turkije naar Peru gereisd, waar zij ruim een jaar en vier maanden heeft verbleven en vrijwilligerswerk in naam van de Gülenbeweging heeft verricht. Volgens appellant hebben de Turkse autoriteiten daar foto’s van haar genomen en hebben zij vervolgens in Turkije een foto van haar getoond aan de moeder van een vriendin. In 2022 is appellant naar Nederland vertrokken, waar zij inmiddels als vrijwilliger actief is voor de aan de Gülenbeweging verbonden stichting Animo. Verder is de vader van appellant in augustus 2016 in Turkije veroordeeld wegens betrokkenheid bij de Gülenbeweging en in maart 2023 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Appellant heeft over hem verklaard dat hij vóór de mislukte coup algemeen directeur was van een aantal aan de Gülenbeweging verbonden internaten en dat hij binnen die beweging de functie van ‘abi’, oftewel studentenleider, bekleedde.
1.1.    De minister heeft de betrokkenheid van appellant bij de Gülenbeweging geloofwaardig geacht en haar daarom aangemerkt als een vreemdeling die onder het risicogroepenbeleid voor Gülenisten valt, zoals dat gold vanaf 1 december 2023 (zie WBV 2023/24, Stcrt. 2023, nr. 30427). Volgens de minister heeft appellant echter geen geringe indicaties aannemelijk gemaakt waaruit blijkt dat zij bij terugkeer naar Turkije heeft te vrezen voor vervolging. Dat haar vader is veroordeeld wegens betrokkenheid bij de Gülenbeweging, levert volgens de minister geen geringe indicatie op, omdat appellant, afgezien van pesterijen en buitensluiting, hierdoor geen problemen heeft ervaren in Turkije. Verder lopen alleen familieleden van hooggeplaatste Gülenisten het risico om de negatieve aandacht te trekken van de Turkse autoriteiten, aldus de minister. Die situatie doet zich bij appellant niet voor. Ook het vrijwilligerswerk van appellant in Peru en Nederland is volgens de minister geen geringe indicatie, onder meer omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt waarom zij hierdoor in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten is komen te staan.
Uitspraak van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft de beroepsgrond van appellant, dat de wijziging met ingang van 1 december 2023 van het landenbeleid voor Turkije voor de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten onrechtmatig is, verworpen. Volgens de rechtbank komt de informatie over de situatie voor Gülenisten in Turkije die appellant heeft overgelegd, namelijk in essentie overeen met de informatie in het Algemeen ambtsbericht Turkije van augustus 2023 waarop de minister de beleidswijziging heeft gebaseerd. Verder heeft de rechtbank erop gewezen dat Gülenisten in het WBV 2023/24 nog steeds zijn aangemerkt als risicogroep en dat daarom blijft gelden dat zij al met geringe indicaties hun vrees voor vervolging aannemelijk kunnen maken. Hoewel de beleidswijziging ertoe leidt dat niet langer soepel wordt omgegaan met de eis van geringe indicaties, geeft deze volgens de rechtbank op voorhand geen aanleiding voor vernietiging van het besluit.
2.1.    Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet met geringe indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat zij wegens de activiteiten van haar vader of haar vrijwilligerswerk in Peru en Nederland, in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten heeft gestaan of zal komen te staan.
Hoger beroep
Beleidswijziging met ingang van 1 december 2023 (WBV 2023/24)
3.       De eerste grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de met WBV 2023/24 per 1 december 2023 ingevoerde wijziging van het beleid voor de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten rechtmatig is. Volgens appellant kan de beleidswijziging niet standhouden, omdat deze geen recht doet aan de situatie voor Gülenisten in Turkije. Appellant betoogt onder verwijzing naar verschillende documenten dat Gülenisten nog steeds strafrechtelijk worden vervolgd.
3.1.    In de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:1607, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister redelijkerwijs tot deze beleidswijziging heeft kunnen komen, omdat hij heeft mogen uitgaan van de informatie in het ambtsbericht van 2023 waaruit volgt dat de strafrechtelijke vervolging van Gülenisten in Turkije in intensiteit is afgenomen. De documenten waarnaar appellant verwijst, heeft de Afdeling in die uitspraak betrokken of komen inhoudelijk in essentie overeen met de informatie die de Afdeling in die uitspraak heeft betrokken. Deze leiden daarom niet tot een ander oordeel.
3.2.    De grief slaagt niet.
Geringe indicaties
4.       De grieven drie tot en met zeven richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat er geringe indicaties zijn waaruit haar vrees voor vervolging bij terugkeer naar Turkije blijkt.
Vader van appellant
5.       Appellant klaagt in de derde grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer problemen zal krijgen, omdat zij de dochter is van een veroordeelde Gülenist. Appellant betoogt dat de rechtbank hierbij ten onrechte heeft betrokken dat volgens openbare bronnen inmiddels alleen familieleden van hooggeplaatste Gülenisten het risico lopen om de negatieve aandacht van de autoriteiten te trekken. Ook heeft de rechtbank volgens appellant niet onderkend dat een motivering ontbreekt waarom haar vader niet als een hooggeplaatste Gülenist kan worden aangemerkt.
5.1.    Appellant betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van de minister heeft gevolgd dat alleen familieleden van hooggeplaatste Gülenisten het risico lopen op negatieve aandacht van de autoriteiten. Op p. 47 van het ambtsbericht van 2023 staat namelijk dat het ‘met name’ gaat om familieleden van hooggeplaatste Gülenisten. De minister heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat niet is uitgesloten dat ook familieleden van andere Gülenisten een dergelijk risico lopen. Dit volgt ook uit het door appellant aangehaalde rapport van de Finse Immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’ van juni 2024. Daarin staat op p. 41 en 42 dat de strafrechtelijke vervolging van familieleden nog steeds willekeurig is, al is die willekeur afgenomen sinds de jaren na de mislukte coup, en dat de autoriteiten zich met name richten op de partners, kinderen en broers en zussen van Gülenisten.
5.2.    Bovendien is onduidelijk wat onder een ‘hooggeplaatste’ Gülenist moet worden verstaan. De minister heeft ter zitting betoogd dat, gelet op de in het ambtsbericht van 2023 beschreven voorbeelden, het gaat om familieleden van de inmiddels overleden [persoon] die behoren tot de top van Gülenbeweging en niet om prominente personen binnen die beweging als zodanig, zoals de directeur van een Gülenistische onderwijsinstelling. De eerdere ambtsberichten en het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 geven echter ook voorbeelden van familieleden van prominente Gülenisten die in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten zijn komen te staan. Zo beschrijft het ambtsbericht van 2025, p. 52, een zaak waarin de moeder van een ‘prominente’ Gülenist gevangen werd gezet. Daarnaast vermeldt het Algemeen ambtsbericht Turkije van maart 2022, p. 40-41, dat personen die leidinggevende functies hadden bekleed bij Gülenistische organisaties, zoals onderwijsinstellingen, en in mindere mate studentenleiders, naast Gülenisten binnen het veiligheidsapparaat, een verhoogd risico liepen op negatieve aandacht van de autoriteiten. Daar komt bij dat de minister ter zitting heeft verklaard dat door de organisatiestructuur van de Gülenbeweging geen eenduidig antwoord kan worden gegeven op de vraag wie tot de top van die beweging behoren. Dit is volgens de minister afhankelijk van de specifieke omstandigheden.
5.3.    Gelet op het voorgaande en op wat appellant heeft verklaard over de activiteiten die haar vader voor de Gülenbeweging heeft verricht, zoals weergegeven onder 1, heeft de minister zijn standpunt, dat niet aannemelijk is dat appellant als dochter van een veroordeelde Gülenist bij terugkeer naar Turkije te vrezen heeft voor vervolging, ondeugdelijk gemotiveerd. Dat heeft de rechtbank niet onderkend.
5.4.    De grief slaagt.
Uitreis Turkije
6.       De vierde grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister er terecht op heeft gewezen dat de omstandigheden dat de Turkse autoriteiten appellant in 2021 een paspoort hebben verstrekt, zij legaal heeft kunnen uitreizen naar Peru en zich daarna in Turkije geen problemen hebben voorgedaan, er niet op wijzen dat zij in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Appellant betoogt dat het feit dat zij legaal Turkije heeft verlaten, niet wil zeggen dat de autoriteiten toen niet bezig waren met een onderzoek naar haar, omdat uit het ambtsbericht van 2023 volgt dat pas een uitreisverbod wordt opgelegd wanneer een arrestatiebevel is uitgevaardigd. Bovendien is zij op de luchthaven ondervraagd. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte van belang geacht dat de Turkse autoriteiten na haar vertrek bijvoorbeeld niet bij haar ouders langs zijn geweest. De politie wist immers dat zij niet in Turkije was, aldus appellant.
6.1.    Hoewel appellant er terecht op wijst dat uit het ambtsbericht van 2023, p. 18, volgt dat de omstandigheid dat tegen iemand een strafrechtelijk onderzoek loopt, niet uitsluit dat die persoon op legale wijze Turkije kan in- en uitreizen, is de rechtbank de minister terecht gevolgd in zijn standpunt dat de wijze waarop appellant van Turkije naar Peru is gereisd geen concrete aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat zij daadwerkelijk in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staat of heeft gestaan. Voor zover appellant erop wijst dat zij bij het vertrek op de luchthaven is ondervraagd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat die ondervraging verband hield met haar betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Appellant heeft verklaard dat zij zich de vragen die haar toen zijn gesteld, niet kan herinneren. Dat de minister geloofwaardig vindt dat appellant Gülenist is, is onvoldoende voor een ander oordeel. Verder heeft appellant niet met stukken onderbouwd dat een legale uitreis in de systemen van de politie wordt geregistreerd. De rechtbank heeft bij haar oordeel ook terecht betrokken dat zich na het vertrek van appellant uit Turkije geen problemen hebben voorgedaan, bijvoorbeeld doordat de politie bij haar ouders naar haar heeft geïnformeerd.
6.2.    De grief slaagt niet.
Maatschappelijke uitsluiting
7.       Appellant klaagt in de vijfde grief tevergeefs over het oordeel van de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor haar vertrek uit Turkije systematisch van deelname aan de maatschappij was uitgesloten. De rechtbank heeft zich hier terecht aangesloten bij het standpunt van de minister dat appellant na de mislukte coup van 15 juli 2016 tot aan haar vertrek uit Turkije in 2021 staatsonderwijs heeft gevolgd en dat haar broer en zus nog steeds in Turkije verblijven en daar de universiteit hebben afgerond. Dat, zoals appellant betoogt, zij destijds leerplichtig was, wijst er juist op dat zij niet van het volgen van onderwijs was uitgesloten en leidt daarom niet tot een ander oordeel. Verder heeft de rechtbank, anders dan appellant betoogt, in navolging van de minister terecht de situatie van de broer en zus in de beoordeling betrokken. Zij behoorden immers tot het gezin waar appellant tot aan haar vertrek uit Turkije deel van uitmaakte en bevonden zich, als het gaat om de activiteiten van hun vader voor de Gülenbeweging, in dezelfde positie als appellant.
7.1.    De grief slaagt niet.
Activiteiten in het buitenland
8.       De zesde en zevende grief richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van appellant over haar problemen en activiteiten in Peru en haar activiteiten in Nederland geen geringe indicaties opleveren. Appellant betoogt dat de rechtbank in navolging van de minister eraan voorbij is gegaan dat de Turkse nationale veiligheidsdienst, genaamd MIT, Gülenisten en Gülenistische organisaties in het buitenland in de gaten houdt. Zij verwijst daarbij naar informatie waarop zij in beroep heeft gewezen en waaruit volgens haar blijkt dat dit ook voor Nederland en Peru geldt.
8.1.    De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat wat appellant heeft verklaard over wat haar is overkomen in Peru - de Turkse autoriteiten hebben haar daar achtervolgd en foto’s van haar genomen en vervolgens in Turkije een foto van haar getoond aan de moeder van een vriendin - geen vrees voor vervolging bij terugkeer oplevert. Volgens de minister heeft appellant de foto die aan de moeder van een vriendin zou zijn getoond, zelf niet gezien en weet zij niet wat de Turkse autoriteiten over de foto hebben gevraagd of gezegd. Ook wijst de minister erop dat appellant nog een jaar in Peru heeft verbleven zonder dat haar iets is overkomen. Over de activiteiten voor de stichting Animo heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Turkse autoriteiten op de hoogte zijn van haar activiteiten voor die stichting en ook niet heeft toegelicht dat zij de stichting Animo in Nederland in de gaten houden.
8.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister zich bij het onder 8.1 weergegeven standpunt onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de informatie uit het ambtsbericht van 2023, p. 46, dat de strijd van de Turkse autoriteiten tegen de Gülenbeweging zich niet beperkt tot het territorium van Turkije zelf. Daarbij worden verschillende voorbeelden gegeven van Gülenisten die de MIT, al dan niet in samenwerking met buitenlandse veiligheidsdiensten, als verdachte vanuit het buitenland naar Turkije heeft overgebracht. Het ambtsbericht van 2025, p. 53 en 54, vermeldt vergelijkbare informatie. Anders dan de minister in zijn verweerschrift aan de rechtbank naar voren heeft gebracht, volgt uit deze informatie niet dat de MIT in het buitenland alleen hooggeplaatste Gülenisten monitort. Dit blijkt ook niet uit het artikel van 16 september 2021 met de titel ‘Turkish diplomats spied on critics in Peru, documents reveal’ van de website Nordic Monitor, waarnaar appellant in beroep onder meer heeft verwezen. Dat artikel heeft de minister niet kenbaar bij zijn standpunt betrokken. Dat geldt ook voor de informatie die appellant heeft overgelegd ter toelichting van haar stelling dat de Turkse veiligheidsdienst in kaart heeft gebracht welke aan de Gülenbeweging verbonden instellingen in Nederland actief zijn en dat de Turkse autoriteiten ook stichting Animo daartoe rekenen. Daar komt bij dat uit de besluitvorming niet blijkt dat de minister de verklaringen van appellant over de achtervolging door de Turkse autoriteiten in Peru en de foto’s die daar van haar zijn genomen, ongeloofwaardig vindt. Al met al heeft de minister, gelet op wat appellant naar voren heeft gebracht over haar problemen en activiteiten in Peru en haar activiteiten in Nederland, zijn standpunt dat niet aannemelijk is dat de verklaringen van appellant over haar activiteiten in het buitenland geen geringe indicaties opleveren, ondeugdelijk gemotiveerd.
8.3.    De zesde en zevende grief slagen.
Conclusie
9.       Omdat de derde, zesde en zevende grief slagen, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat de hiervoor onder 5 en 8 genoemde omstandigheden, op zichzelf of in onderlinge samenhang bezien, geen geringe indicaties zijn dat appellant na terugkeer in Turkije zal worden vervolgd. In het verlengde hiervan slagen ook de tweede en de negende grief, die geen zelfstandige betekenis hebben. De minister zal daarom een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen. Daarin moet de minister de stukken meenemen die appellant in hoger beroep heeft overgelegd over nieuwe gebeurtenissen die zich volgens haar na de uitspraak van de rechtbank hebben voorgedaan. Het gaat daarbij onder meer om een arrestatiebevel van 15 november 2024 voor een vriendin met wie appellant naar eigen zeggen in Peru actief is geweest voor de Gülenbeweging.
9.1.    Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat appellant in de achtste grief heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit van 7 maart 2024. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg van 22 juli 2024 in zaak nr. NL24.10539;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.     vernietigt het besluit van 7 maart 2024, V-[...];
V.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.203,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
363-1143