ECLI:NL:RVS:2026:1771
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure
Verzoekers hebben bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvragen zijn bij besluiten van 10 oktober 2025 niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 10 maart 2026 de beroepen ongegrond verklaarde. Vervolgens hebben verzoekers hoger beroep ingesteld bij de Raad van State en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld. Gezien het feit dat het hoger beroep nader onderzoek vergt en deze procedure zich daar niet goed voor leent, is besloten een voorlopige voorziening te treffen. Deze voorziening houdt in dat verzoekers niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist.
Daarnaast is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten die verzoekers hebben gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening, een bedrag van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is gedaan op 30 maart 2026 door voorzieningenrechter M.J.M. Ristra-Peeters.
Uitkomst: Verzoekers worden niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.