ECLI:NL:RVS:2026:1772
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 20 oktober 2025 is afgewezen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep van verzoeker op 24 maart 2026 ongegrond. Verzoeker stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 26 maart 2026 besloten om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Dit omdat de termijn voor het instellen van hoger beroep nog niet was verstreken en het belang van verzoeker bij het voorkomen van uitzetting groot is.
Daarnaast is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van verzoeker, een bedrag van € 934,00, welke geheel toe te rekenen is aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A. Kuijer in aanwezigheid van griffier W.M. Vos.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.