AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening tegen uitspraken rechtbank over misbruik van recht Woo-verzoeken
De minister van Justitie en Veiligheid heeft meerdere besluiten genomen naar aanleiding van verzoeken van een wederpartij op grond van de Wet open overheid (Woo). De minister stelde dat sprake was van misbruik van recht vanwege de omvang en frequentie van de verzoeken, de onredelijke belasting voor de organisatie en het procederen met het oog op dwangsommen.
De rechtbank Noord-Nederland oordeelde echter dat de minister ten onrechte misbruik van recht had aangenomen en vernietigde de besluiten, waarbij zij de minister opdroeg binnen twaalf weken nieuwe beslissingen te nemen. De minister stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitvoering aan de uitspraken van de rechtbank te schorsen.
De voorzieningenrechter van de Raad van State oordeelde dat de belangenafweging in het voordeel van de minister uitvalt, omdat niet is gebleken dat de wederpartij een dringend belang heeft bij snelle openbaarmaking en de minister onomkeerbare gevolgen vreest bij uitvoering van de uitspraken. Daarom werd de schorsing van de uitspraken van de rechtbank bevolen en bepaald dat de minister geen nieuwe besluiten hoeft te nemen totdat de bodemprocedure is afgerond.
Uitkomst: De Raad van State schorst de uitspraken van de rechtbank en bepaalt dat de minister geen nieuwe besluiten hoeft te nemen totdat de bodemprocedure is afgerond.
Uitspraak
202600688/3/A3, 202600689/3/A3, 202600690/3/A3, 202600691/3/A3, 202600692/3/A3 en 202600694/3/A3.
Datum uitspraak: 27 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van:
de minister van Justitie en Veiligheid,
verzoeker,
tegen de uitspraken van rechtbank NoordNederland van 23 januari 2026 in zaak nrs. 25/923, 25/1021, 25/1249, 25/1271, 25/1661 en 25/2613, in de gedingen tussen:
[wederpartij], wonend in [woonplaats],
en
de minister.
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 27 februari 2024, 25 april 2024, 19 september 2024, 23 september 2024, 11 februari 2025 en 4 november 2024 heeft de minister gereageerd op verzoeken van [wederpartij] op grond van de Wet open overheid (Woo).
Bij drie afzonderlijke besluiten van 12 februari 2025 en besluiten van 25 februari 2025, 8 april 2025 en 18 juni 2025 heeft de minister de door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond, dan wel niet-ontvankelijk, verklaard.
Bij zes afzonderlijke uitspraken van 25 januari 2026 heeft de rechtbank de door [wederpartij] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de drie besluiten van 12 februari 2025 en de besluiten van 25 februari 2025, 8 april 2025 en 18 juni 2025 vernietigd en de minister opgedragen om binnen een termijn van twaalf weken nieuwe beslissingen op de bezwaren van [wederpartij] te nemen met inachtneming van de uitspraken.
Tegen deze zes uitspraken heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Ook heeft de minister de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
2. [wederpartij] heeft verschillende verzoeken op grond van de Woo bij de minister ingediend. De minister stelt zich in zijn besluitvorming op het standpunt dat sprake is van misbruik van recht, zoals bedoeld in artikel 4.6 van de Woo. Gelet op de hoeveelheid procedures, de onredelijke reikwijdte van de verzoeken, de korte periode waarbinnen de omvangrijke verzoeken worden ingediend, de onredelijke belasting voor de organisatie zonder dat dit een rechtmatig doel dient, het procedeergedrag van [wederpartij] en de hoeveelheid klachten en procedures met het oog op verkrijgen van dwangsommen, streeft [wederpartij] volgens de minister niet het verkrijgen van publieke informatie na.
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich in de besluiten van 12 februari 2025, 25 februari 2025, 8 april 2025 en 18 juni 2025 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van misbruik van recht zoals bedoeld in artikel 4.6 van de Woo. De minister moet van de rechtbank opnieuw op de bezwaren van [wederpartij] beslissen.
4. De minister heeft hoger beroep tegen de zes uitspraken van de rechtbank ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat hij nog geen gevolg hoeft te geven aan de zes uitspraken van de rechtbank. De minister wil voorkomen dat hij hangende hoger beroep nieuwe besluiten moet nemen. De minister meent dat er onomkeerbare gevolgen ontstaan als hij nieuwe besluiten moet nemen.
5. De voorzieningenrechter zal de verzoeken van de minister beoordelen aan de hand van een belangenafweging. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de uitspraken van de rechtbank moeten worden geschorst, totdat de Afdeling in de bodemprocedure uitspraak heeft gedaan. Afwijzing van de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening zou namelijk betekenen dat de minister gehouden is gevolg te geven aan de uitspraken van de rechtbank en werkzaamheden moet gaan verrichten om besluiten voor te bereiden, terwijl hij zich gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat [wederpartij] misbruik van recht maakt. Mede omdat niet is gebleken dat [wederpartij] een bijzonder eigen belang heeft bij openbaarmaking van de gevraagde documenten op korte termijn, weegt het belang van de minister om geen uitvoering te hoeven geven aan de uitspraken van de rechtbank in dit geval zwaarder. De minister hoeft dus voorlopig geen inhoudelijke besluiten te nemen.
6. De voorzieningenrechter zal daarom de na te melden voorlopige voorziening treffen.
7. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 23 januari 2026 in zaak nrs. 25/923, 25/1021, 25/1249, 25/1271, 25/1661 en 25/2613;
II. bepaalt dat de minister van Justitie en Veiligheid geen nieuwe besluiten hoeft te nemen op de bezwaren van [wederpartij], totdat de Afdeling in de bodemprocedure uitspraak heeft gedaan.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.E. de Bakker, griffier.