ECLI:NL:RVS:2026:1790
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Nederlands paspoort wegens verlies Nederlanderschap door langdurig verblijf in buitenland
Verzoeker diende op 8 mei 2024 bij de Nederlandse ambassade in Rabat een aanvraag in voor een Nederlands paspoort. De minister van Buitenlandse Zaken nam deze aanvraag niet in behandeling omdat verzoeker niet langer de Nederlandse nationaliteit bezit. Dit verlies van Nederlanderschap vond van rechtswege plaats op 1 april 2013, op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), omdat verzoeker als meerderjarige van 1 april 2003 tot en met 1 april 2013 onafgebroken zijn hoofdverblijf in Marokko had en de verjaringstermijn niet was gestuit.
Verzoeker stelde dat hij gedurende de tienjaarstermijn niet wist dat hij de Nederlandse nationaliteit bezat, maar dit maakte volgens de rechtbank en de Raad van State niet uit. De Paspoortwet bepaalt immers dat alleen Nederlanders recht hebben op een Nederlands paspoort. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker ongegrond en de Raad van State bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De voorzieningenrechter oordeelde dat nader onderzoek niet nodig was en dat het verzoek om een voorlopige voorziening moest worden afgewezen omdat de hoofdzaak reeds kon worden beslist. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 31 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat verzoeker het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren en wijst het beroep en verzoek om voorlopige voorziening af.