AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vaststelling proportionele dwangsom bij niet tijdig besluit machtiging voorlopig verblijf
Betrokkenen hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en legde een dwangsom van €250 per dag op, met een maximum van €37.500, omdat de minister niet had toegelicht waarom hij niet eerder gelegenheid tot herstel van een verzuim had geboden of een DNA-onderzoek was gestart.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde aan dat de opgelegde dwangsom niet proportioneel was en niet als prikkel diende, maar eerder als boete of compensatie. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de wetgever ruimte biedt om de hoogte van de dwangsom aan te passen aan de omstandigheden, maar dat een hogere dwangsom uitzondering moet zijn en goed gemotiveerd.
De Afdeling oordeelde dat het enkele feit dat de minister niet had toegelicht waarom hij niet eerder gelegenheid tot herstel had geboden, niet volstaat om weigerachtigheid aan te nemen. De rechtbank had de minister niet in de gelegenheid gesteld om hierover een standpunt in te nemen en er was geen sprake van een zodanig groot belang dat een hogere dwangsom gerechtvaardigd was. Daarom werd de hogere dwangsom vernietigd en vastgesteld op €100 per dag met een maximum van €7.500.
Uitkomst: De dwangsom wordt vastgesteld op €100 per dag met een maximum van €7.500 wegens onvoldoende motivering van weigerachtigheid.
Uitspraak
202302538/1/V1.
Datum uitspraak: 31 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 27 maart 2023 in zaak nr. NL23.4656 in het geding tussen:
[betrokkene A] en [betrokkene B]
en
de minister.
Procesverloop
Betrokkenen hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hun een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
Bij uitspraak van 27 maart 2023 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en bepaald dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid uiterlijk op 21 juni 2023 alsnog een besluit neemt en aan betrokkenen een dwangsom verbeurt van € 250,00 voor elke dag dat hij die termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,00.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. E. Arslan, advocaat in Amsterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Grief
1. De enige grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met landelijk beleid voor beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit in het vreemdelingenrecht, een hogere dwangsom van € 250,00 is verschuldigd voor elke dag waarmee de minister de termijn waarbinnen zij volgens de rechtbank uiterlijk een besluit op de aanvraag moet nemen, overschrijdt, met een maximum van € 37.500,00. Daarmee heeft de rechtbank voor een hogere dwangsom gekozen dan gebruikelijk. Zij heeft daartoe overwogen dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij niet eerder gelegenheid tot herstel van een verzuim heeft geboden en/of een DNA-onderzoek is gestart.
De minister voert daartegen aan dat de door de rechtbank opgelegde rechterlijke dwangsom niet proportioneel is. Het landelijk beleid van de rechtbanken noemt het niet inzichtelijk maken waarom de minister niet eerder gelegenheid tot herstel van een verzuim heeft geboden en/of een DNA-onderzoek is gestart, niet als situatie die tot een verdubbeling of verhoging van de dwangsom zou nopen. De rechtbank heeft de minister, hangende de beroepsprocedure, bovendien niet verzocht om toe te lichten waarom hij niet eerder gelegenheid tot herstel van een verzuim heeft geboden en/of een DNA-onderzoek is gestart. Omdat de minister zich verder niet weigerachtig heeft opgesteld, ligt ook om die reden een verhoging van de rechterlijke dwangsom niet in de rede, aldus de minister. De minister merkt tot slot op dat de hogere dwangsom hem in dit geval niet prikkelt tot snellere besluitvorming, maar het karakter krijgt van een boete of compensatie voor overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 vanPro het EVRM.
Oordeel Afdeling
2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560, onder 7, staat het de rechter vrij om de hoogte van de dwangsom te bepalen, zolang hij daarbij redelijke grenzen in acht neemt. Zoals uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb blijkt, biedt de wetgever ruimte, zodat de rechter de hoogte van de dwangsom op de omstandigheden van het geval kan afstemmen en daarbij het bestuursorgaan een effectieve prikkel geeft om het besluit alsnog binnen de gestelde nadere termijn bekend te maken (Kamerstukken II 2005/06, 29 934 en 30 435, nr. 19, blz. 2). Het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht heeft beleid ontwikkeld voor de bepaling van de hoogte van de dwangsom, waarin de rechter de dwangsom kan verlagen als er geringe belangen spelen of kan verhogen als het bestuursorgaan weigerachtig is. De Afdeling heeft dit beleid in de uitspraak van 8 juli 2020 niet onredelijk geacht.
2.1. Als vaste gedragslijn in vreemdelingenzaken legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,00 per dag, met een maximum van € 7.500,00. Als een sterkere prikkel nodig is, hetzij vanwege gebleken weigerachtigheid van het bestuursorgaan, hetzij vanwege het grote belang, bepaalt de rechtbank de dwangsom op € 250,00 per dag, met een maximum van € 37.500,00. In concrete gevallen kan aanleiding bestaan om van dit beleid af te wijken, bijvoorbeeld bij een zeer groot belang. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2337, onder 13.11, moet een dwangsom van de hoogte die de rechtbank in dit geval heeft opgelegd veel eerder uitzondering dan regel zijn.
2.2. De Afdeling acht de hoogte van de dwangsom die de rechtbank heeft opgelegd, van € 250,00 per dag, met een maximum van € 37.500,00, in dit specifieke geval niet gerechtvaardigd. Het enkele feit dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij niet eerder gelegenheid tot herstel van een verzuim heeft geboden en/of een DNA-onderzoek is gestart, betekent nog niet dat een bestuursorgaan weigerachtig is. Een hogere dwangsom was wegens dat enkele feit niet nodig als sterkere prikkel voor de minister om alsnog een besluit te nemen. De rechtbank heeft niet nader gemotiveerd waarom de minister weigerachtig is en heeft de minister ook niet in de gelegenheid gesteld daarover een standpunt in te nemen. Ook is de Afdeling niet gebleken van een dusdanig groot belang dat een hogere dwangsom hier gerechtvaardigd is. De grief slaagt.
Conclusie
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij daarin heeft vastgesteld dat de minister een dwangsom van € 250,00 per dag, met een maximum van € 37.500,00, verbeurt. De Afdeling zal de hoogte van de dwangsom vaststellen op € 100,00 per dag, met een maximum van € 7.500,00. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 27 maart 2023 in zaak nr. NL23.4656, voor zover de rechtbank daarin heeft vastgesteld dat de minister een dwangsom van € 250,00 per dag, met een maximum van € 37.500,00, verbeurt;
III. stelt de hoogte van de dwangsom vast op € 100,00 per dag, met een maximum van € 7.500,00.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen