ECLI:NL:RVS:2026:1793

Raad van State

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
202301769/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling lagere dwangsom wegens niet tijdig besluit machtiging voorlopig verblijf

Betrokkene stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en legde een dwangsom op van €250 per dag met een maximum van €37.500 vanwege het niet tijdig beslissen.

De minister ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en voerde aan dat de hogere dwangsom niet gerechtvaardigd was omdat er sprake was van een zorgvuldig besluitvormingsproces en nader onderzoek, waaronder een gehoor, plaatsvond. Tevens stelde de minister dat hij niet weigerachtig was en dat de hogere dwangsom niet als prikkel maar als boete zou werken.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom de minister weigerachtig zou zijn en dat het belang van betrokkene niet zodanig groot was dat een hogere dwangsom gerechtvaardigd was. Daarom vernietigde de Afdeling het deel van de uitspraak over de hogere dwangsom en stelde zij de dwangsom vast op €100 per dag met een maximum van €7.500.

De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 31 maart 2026.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak stelt de dwangsom vast op €100 per dag met een maximum van €7.500 wegens niet tijdig besluit.

Uitspraak

202301769/1/V1
Datum uitspraak: 31 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 februari 2023 in zaak nr. NL22.26565 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
Bij uitspraak van 20 februari 2023 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, vastgesteld dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid als gevolg van het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag een dwangsom heeft verbeurd van in totaal € 1.442,00, en bepaald dat de staatssecretaris uiterlijk op 20 maart 2023 alsnog een besluit neemt en aan betrokkene een dwangsom verbeurt van € 250,00 voor elke dag dat hij die termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,00.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. E.R. Coene, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Grief
1.       De enige grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met landelijk beleid voor beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit in het vreemdelingenrecht, een hogere dwangsom van € 250,00 is verschuldigd voor elke dag waarmee de minister de termijn waarbinnen hij volgens de rechtbank uiterlijk een besluit op de aanvraag moet nemen, overschrijdt, met een maximum van € 37.500,00. De rechtbank heeft voor een hogere dwangsom gekozen dan gebruikelijk, omdat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij niet eerder tot nader onderzoek is overgegaan.
Volgens de minister heeft de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom in de eerste plaats te weinig oog gehad voor de omstandigheden van het geval. De minister heeft in beroep toegelicht dat in deze procedure, die gaat over een eerste beroep niet tijdig, een geval voorligt waarin de minister meer tijd nodig heeft om tot een zorgvuldig besluit te komen. De minister heeft daarom aan de rechtbank gevraagd om een ruimere termijn op te leggen voor het alsnog bekendmaken van een besluit dan de gebruikelijke twee weken genoemd in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb, omdat de minister voornemens is om nader onderzoek te verrichten in de vorm van een gehoor. De minister betoogt verder dat hij zich niet als een weigerachtig bestuursorgaan opstelt. Ook om die reden ligt een verhoging van de dwangsom niet in de rede. In dit verband wijst de minister erop dat hij inmiddels nadere stappen heeft gezet in de aanvraagprocedure van betrokkene. Immers, de minister heeft de kinderen van betrokkene bij brieven van 3 februari 2023 uitgenodigd voor een interview op de Nederlandse ambassade in Ankara, Turkije, op 20 maart 2023. De minister merkt tot slot op dat de hogere dwangsom hem in dit geval niet prikkelt tot snellere besluitvorming, maar het karakter krijgt van een boete of compensatie voor overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM.
Oordeel Afdeling
2.       Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560, onder 7, staat het de rechter vrij om de hoogte van de dwangsom te bepalen, zolang hij daarbij redelijke grenzen in acht neemt. Zoals uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb blijkt, biedt de wetgever ruimte, zodat de rechter de hoogte van de dwangsom op de omstandigheden van het geval kan afstemmen en daarbij het bestuursorgaan een effectieve prikkel geeft om het besluit alsnog binnen de gestelde nadere termijn bekend te maken (Kamerstukken II 2005/06, 29 934 en 30 435, nr. 19, blz. 2). Het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht heeft beleid ontwikkeld voor de bepaling van de hoogte van de dwangsom, waarin de rechter de dwangsom kan verlagen als er geringe belangen spelen of kan verhogen als het bestuursorgaan weigerachtig is. De Afdeling heeft dit beleid in de uitspraak van 8 juli 2020 niet onredelijk geacht.
2.1.    Als vaste gedragslijn in vreemdelingenzaken legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,00 per dag, met een maximum van € 7.500,00. Als een sterkere prikkel nodig is, hetzij vanwege gebleken weigerachtigheid van het bestuursorgaan, hetzij vanwege het grote belang, bepaalt de rechtbank de dwangsom op € 250,00 per dag, met een maximum van € 37.500,00. In concrete gevallen kan aanleiding bestaan om van dit beleid af te wijken, bijvoorbeeld bij een zeer groot belang. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2337, onder 13.11, moet een dwangsom van de hoogte die de rechtbank in dit geval heeft opgelegd veel eerder uitzondering dan regel zijn.
2.2.    De Afdeling acht de hoogte van de dwangsom die de rechtbank heeft opgelegd, van € 250,00 per dag, met een maximum van € 37.500,00, in dit specifieke geval niet gerechtvaardigd. Het enkele feit dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij niet eerder een onderzoek is gestart, betekent nog niet dat een bestuursorgaan weigerachtig is. Een hogere dwangsom was vanwege dat enkele feit niet nodig als sterkere prikkel voor de minister om alsnog een besluit te nemen. De rechtbank heeft niet nader gemotiveerd waarom de minister weigerachtig is, mede in het licht van de door de minister gestelde omstandigheden. Ook is de Afdeling in deze zaak niet gebleken van een dusdanig groot belang dat een hogere dwangsom hier gerechtvaardigd is. De grief slaagt.
Conclusie
3.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij daarin heeft vastgesteld dat de minister een dwangsom van € 250,00 per dag, met een maximum van € 37.500,00, verbeurt. De Afdeling zal de hoogte van de dwangsom vaststellen op € 100,00 per dag, met een maximum van € 7.500,00. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 februari 2023 in zaak nr. NL22.26565, voor zover de rechtbank daarin heeft vastgesteld dat de minister een dwangsom van € 250,00 per dag, met een maximum van € 37.500,00, verbeurt;
III.      stelt de hoogte van de dwangsom vast op € 100,00 per dag, met een maximum van € 7.500,00.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Zwemstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026
91-1118