ECLI:NL:RVS:2026:1816

Raad van State

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
202303575/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.F. de Groot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 8:57 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging invordering dwangsom wegens overtreding bestemmingsplan aannemingsbedrijf

Het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel legde aan appellante een last onder dwangsom op vanwege het exploiteren van een aannemingsbedrijf en het opslaan van materialen in strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 2016". De dwangsom werd vastgesteld op €60.000 en bij besluit van 18 oktober 2022 ingevorderd.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen de invordering ongegrond, stellende dat de overtredingen voortduurden en de dwangsom terecht was verbeurd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij aan de last had voldaan, dat het college geen onderzoek had gedaan naar de herkomst van de materialen, dat er geen alternatieve locatie beschikbaar was en dat de invordering onevenredig was vanwege haar financiële situatie.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat deze gronden grotendeels een herhaling waren van eerdere bezwaren die door de rechtbank gemotiveerd waren beoordeeld. Er waren geen nieuwe feiten of argumenten die aanleiding gaven om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. De Afdeling bevestigde daarom het besluit tot invordering van de dwangsom en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De invordering van de dwangsom van €60.000 wegens overtreding van het bestemmingsplan wordt bevestigd.

Uitspraak

202303575/1/R4.
Datum uitspraak: 1 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in Velddriel, gemeente Maasdriel,
appellante,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland (de rechtbank) van 25 april 2023 in zaak nrs. 23/2 en 23/1343 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel
Procesverloop
Bij besluit van 18 oktober 2022 heeft het college besloten tot invordering van een dwangsom van € 60.000,00 bij [appellante].
Bij besluit van 9 februari 2023 heeft het college, naar aanleiding van het door [appellante] gemaakte bezwaar, het besluit van 18 oktober 2022 in stand gelaten.
Bij uitspraak van 25 april 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellante] exploiteert een aannemingsbedrijf op de percelen aan de [locatie] in Velddriel (de percelen). De percelen zijn kadastraal bekend onder gemeente Maasdriel, sectie M, nummers 1894, 1896, 1898, 2114 en 2115. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 2016". Op grond van het plan heeft een groot deel van de percelen de bestemming "Bedrijf" met de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - loonbedrijf" en een kleiner deel heeft de bestemming "Agrarisch".
2.       Het college heeft bij besluit van 25 november 2021 aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd, vanwege de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De last strekt tot het staken en gestaakt houden van het exploiteren van een aannemingsbedrijf en het verwijderen en verwijderd houden van de opslag van goederen, materialen en stoffen in strijd met de bestemming.
Bij uitspraak van 12 mei 2022, in zaak nr. 22/1645, heeft de rechtbank de hoogte van de dwangsom vastgesteld op € 60.000,00 ineens.
Bij besluit van 18 oktober 2022 heeft het college bij [appellante] de dwangsom van € 60.000,00 ingevorderd.
Aangevallen uitspraak
3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de dwangsom is verbeurd en dat het bevoegd is om tot invordering over te gaan. Volgens de rechtbank volgt uit de controlerapporten van 23 augustus 2022 en 3 oktober 2022 dat er nog steeds grote hoeveelheden materialen op de percelen zijn opgeslagen en dat er nog altijd grof huisvuil en bouw- en sloopafval wordt ingezameld en verwerkt. Dit is volgens de rechtbank in strijd met het bestemmingsplan. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het niet feitelijk onmogelijk is voor [appellante] om aan de last te voldoen, omdat verhuizing van het bedrijf niet de enige serieuze optie is om aan de last te voldoen. Tot slot komt de rechtbank tot de conclusie dat in wat door [appellante] is aangevoerd geen aanleiding bestaat om de dwangsom te matigen.
Beoordeling van het hoger beroep
4.       [appellante] betoogt ten eerste dat de rechtbank niet heeft onderkend dat aan de last is voldaan en de dwangsom daarom niet is verbeurd. Zij voert hiertoe aan dat het college geen onderzoek heeft verricht naar de herkomst van de opgeslagen materialen.
Ten tweede voert [appellante] aan dat het college vanwege de onuitvoerbaarheid van de last van invordering had moeten afzien, omdat er geen passende alternatieve locatie beschikbaar is voor haar bedrijf.
Tot slot voert [appellante] aan dat invordering van het bedrag onevenredig is, omdat zij niet de financiële draagkracht heeft om de dwangsom te betalen. Verder zou de dwangsom moeten worden gematigd, omdat de last niet uitvoerbaar is en omdat de rechtbank heeft miskend dat de overtredingen zijn vastgesteld op grond van marginaal bewijs.
4.1.    De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7 tot en met 10.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
7.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kamphorst
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026
1133-776