ECLI:NL:RVS:2026:1861
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bewaring vreemdeling
Verzoeker is bij besluit van 13 februari 2026 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 9 maart 2026 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening om de bewaring op te heffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht. Uit de overwegingen blijkt dat het op dat moment niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep zou worden vernietigd. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
De voorzieningenrechter heeft tevens beslist dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan in het openbaar op 3 april 2026 door mr. J.M. Willems, in aanwezigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot opheffing van de bewaring wordt afgewezen.