ECLI:NL:RVS:2026:1865

Raad van State

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
202505791/2/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verschoning
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot verschoning van staatsraad wegens belangenverstrengeling

In deze zaak heeft staatsraad G.T.J.M. Jurgens, belast met de behandeling van een bestuursrechtelijke zaak die op 9 april 2026 zou worden behandeld, op 1 april 2026 verzocht zich te mogen verschonen. Dit verzoek werd gedaan nadat zij had vastgesteld dat het College van Beroep voor de Examens van de Universiteit Utrecht een van de partijen in de zaak is, terwijl zij als hoogleraar bestuursrecht aan diezelfde universiteit verbonden is.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:19 en Pro 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), die bepalen dat rechters zich kunnen verschonen indien feiten of omstandigheden de rechterlijke onpartijdigheid kunnen schaden. Gezien de belangenverstrengeling en het voorkomen van iedere schijn van vooringenomenheid achtte de Afdeling het verzoek tot verschoning gerechtvaardigd.

De Afdeling heeft het verzoek dan ook toegewezen en de staatsraad is van verdere behandeling van de zaak ontheven. De beslissing werd uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026 door de voorzitter en leden van de Afdeling bestuursrechtspraak, in aanwezigheid van de griffier.

Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van staatsraad Jurgens wordt toegewezen vanwege haar verbondenheid met een partij in de zaak.

Uitspraak

202505791/2/A2.
Datum beslissing: 3 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op het verzoek om verschoning (ex artikel 8:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht: hierna: de Awb) van:
mr. G.T.J.M. Jurgens
Procesverloop
Ten aanzien van zaak nr. 202505791/1/A2, die op 9 april 2026 op zitting zal worden behandeld, heeft mr. G.T.J.M. Jurgens (de staatsraad), die als lid van de enkelvoudige kamer belast is met de behandeling van deze zaak, op 1 april 2026 het verzoek gedaan zich te mogen verschonen.
Overwegingen
1.       Ingevolge artikel 8:19, eerste lid, van de Awb kan op grond van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:15 van Pro de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, verzoeken zich te mogen verschonen.
2.       In artikel 8:15 van Pro de Awb is bepaald dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.       De staatsraad heeft te kennen gegeven dat zij bij de voorbereiding van deze zaak heeft geconstateerd dat het College van Beroep voor de Examens van de Universiteit Utrecht een van de partijen is. De staatraad is als hoogleraar bestuursrecht aan de Universiteit Utrecht verbonden. Om iedere schijn van vooringenomenheid bij de behandeling van deze zaak te voorkomen, heeft de staatsraad verzocht zich te mogen verschonen.
4.       De Afdeling acht, gezien deze motivering, inwilliging van het verzoek gerechtvaardigd.
5.       Gelet op het vorenstaande, wordt het verzoek toegewezen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Meerman, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzitter
w.g. Meerman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026
960