202501774/1/A2.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 maart 2025 in zaak nr. 23/5553 in het geding tussen:
[appellant]
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).
Procesverloop
Bij besluit van 8 maart 2023 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard per 15 maart 2023.
Bij besluit van 11 juli 2023 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2025, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. M.M. Kleijbeuker, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is op 22 september 2021 door de politie aangehouden in zijn voertuig. De bij [appellant] afgenomen speekseltest gaf een indicatie van invloed van onder meer GHB. De politie heeft dat medegedeeld aan het CBR. Het CBR heeft vervolgens een onderzoek naar de geschiktheid van [appellant] opgelegd.
Besluitvorming
2. Het onderzoek is uitgevoerd door een psychiater. De psychiater heeft in zijn rapport van 2 juni 2022 geconcludeerd dat bij [appellant] sprake is van drugsmisbruik in de zin der wet. Hij heeft vaker deelgenomen aan het verkeer onder invloed en heeft daarbij onder meer onvoldoende risico- en zelftaxatie.
3. [appellant] heeft een tweede onderzoek naar zijn geschiktheid, door een andere psychiater, laten uitvoeren. Deze psychiater komt in zijn rapport van 21 januari 2023 ook tot de conclusie dat sprake is van drugsmisbruik in de zin der wet. Volgens de psychiater was [appellant] ten tijde van het onderzoek nog niet gestopt met het drugsmisbruik.
4. Bij besluit van 8 maart 2023, aangevuld bij besluit van 11 juli 2023, heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard op grond van artikel 134 van de Wegenverkeerswet 1994 en paragraaf 8.8 van de Regeling eisen geschiktheid 2000. Het CBR heeft hieraan de medische rapporten ten grondslag gelegd, waaruit blijkt dat bij [appellant] sprake is van drugsmisbruik en hij ongeschikt is om te rijden. Het CBR heeft geconcludeerd dat er geen concrete aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de rapporten, zodat het zijn besluit hierop mocht baseren.
Uitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. Dat een tweede onderzoek heeft plaatsgevonden betekent volgens de rechtbank niet dat daarmee de resultaten en conclusies van het eerste onderzoek zijn komen te vervallen. [appellant] heeft verder geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de inhoud van het tweede rapport. Het CBR mocht de rapporten ten grondslag leggen aan zijn besluitvorming.
Hoger beroep
Ongeldigverklaring
6. [appellant] voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de rapporten niet waarheidsgetrouw zijn en hij niet langer dan vijf minuten met een psychiater heeft gepraat. De supervisie van de psychiater bij een stagiair die het onderzoek uitvoerde was onvoldoende. De conclusies in de rapporten zijn onvoldoende onderbouwd en niet objectief vastgesteld. [appellant] wijst verder op de gevolgen van de besluitvorming op zijn levensonderhoud als zelfstandige zonder personeel (ZZP).
6.1. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het CBR mocht uitgaan van de rapporten. De enkele stelling van [appellant] dat het onderzoek slechts vijf minuten lang heeft geduurd en met onvoldoende supervisie van de psychiater zou zijn uitgevoerd, is niet onderbouwd. Het CBR heeft bovendien een aanvullende verklaring van de tweede psychiater van 14 november 2023 overgelegd, waarin hij de stellingen van [appellant] betwist. Ook overigens zijn er geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die maken dat moet worden getwijfeld aan de inhoud van de psychiatrische rapporten. Voor zover [appellant] bedoelt te betogen dat het besluit van het CBR in strijd is met het evenredigheidsbeginsel vanwege de nadelige gevolgen daarvan voor [appellant], is dat betoog niet onderbouwd. Ook hierin zit de Afdeling geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank.
6.2. Het betoog slaagt niet.
Redelijke termijn
7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ambtshalve had moeten toetsen of de redelijke termijn van de procedure was overschreden ten tijde van haar uitspraak en een schadevergoeding had moeten toekennen.
7.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Bij de rechter in eerste aanleg is in beginsel een totale lengte van de procedure van twee jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar en anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep. De termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter in eerste aanleg uitspraak doet.
7.2. In beginsel is de rechtbank niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn is overschreden wanneer in beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. Dat is slechts anders indien ten tijde van het sluiten van het onderzoek geen sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn en deze, uitgaande van de in artikel 8:66 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde termijn van zes weken voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien was (vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL3354, r.o. 2.5.2). In een dergelijk geval is er voor [appellant] geen reden daarover te klagen. De rechtbank moet de redelijke termijn ambtshalve toetsen als de uitspraak in een dergelijk geval desondanks gedaan wordt met overschrijding van die termijnen. 7.3. Ten tijde van het sluiten van het onderzoek door de rechtbank op 16 januari 2025 was de redelijke termijn niet overschreden, noch zou die termijn overschreden zijn als de rechtbank binnen zes weken uitspraak had gedaan. De rechtbank heeft na deze termijn van zes weken, namelijk op 19 maart 2025, uitspraak gedaan. Aldus moet beoordeeld worden of de rechtbank een vergoeding had moeten toekennen wegens schending van de redelijke termijn ten tijde van haar uitspraak. Het CBR heeft het bezwaarschrift van [appellant] ontvangen op 15 maart 2023. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 19 maart 2025. De redelijke termijn in eerste aanleg van twee jaar is dus met enkele dagen overschreden. Deze overschrijding moet aan de rechtbank worden toegerekend.
7.4. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 500,00. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling deze schadevergoeding toekennen aan [appellant].
7.5. Het betoog slaagt.
Conclusie
8. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover zij geen schadevergoeding heeft toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling zal een schadevergoeding van € 500,00 toekennen aan [appellant]. De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd.
9. De Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) moet de in verband met de schade wegens overschrijding van de redelijke termijn opgekomen proceskosten in hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarin geen schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is toegekend;
III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de schade op grond van overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg aan [appellant] van € 500,00;
V. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van bij [appellant] in verband met het verzoek om schadevergoeding in hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep ten bedrage van € 289,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Schuurman, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
1100