ECLI:NL:RVS:2026:1888
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel en inreisverbod in hoger beroep
De minister van Asiel en Migratie wees op 6 oktober 2025 de aanvraag van appellant voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af en vaardigde een inreisverbod uit. Appellant stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 4 december 2025 het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde voor zover het het inreisverbod betrof, maar de rechtsgevolgen van dat gedeelte in stand liet.
Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep beoordeeld en geoordeeld dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. De motivering van de rechtbank is overgenomen zonder verdere nadere motivering, omdat het hogerberoepschrift geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming.
De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 8 april 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.