Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:1902

Raad van State

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
BRS.24.000182
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake bewaring vreemdeling en afwijzing schadevergoeding

Bij besluit van 30 april 2024 stelde de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betrokkene in bewaring wegens het niet naleven van meldplichten, illegaal verblijf en het niet vrijwillig vertrekken na een terugkeerbesluit.

De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, hief de bewaring op en kende schadevergoeding toe. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat de minister de bewaring voldoende had gemotiveerd, onder meer vanwege het risico dat betrokkene zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren. De medische behandeling die betrokkene wilde ondergaan woog niet op tegen deze risico's.

De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

BRS.24.000182
Datum uitspraak: 9 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 13 mei 2024, zoals gewijzigd bij hersteluitspraak van 14 mei 2024, in zaak nr. NL24.19061 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 30 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 13 mei 2024, zoals gewijzigd bij hersteluitspraak van 14 mei 2024, heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 13 mei 2024 bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. H. Postma, advocaat in Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De minister klaagt in zijn enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet met een lichter middel hoefde te volstaan. De minister heeft er in zijn besluit namelijk terecht op gewezen dat betrokkene tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij niet wil terugkeren naar Algerije of Libië, meldplichten heeft gemist, illegaal in Nederland heeft verbleven en na het terugkeerbesluit niet zelfstandig is vertrokken. De minister betoogt terecht dat hij hiermee deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet met een lichter middel kon volstaan, ondanks de verklaring van betrokkene dat hij bij stichting INLIA verblijft en via die organisatie een traject zou starten waarbij hij zou werken en tegelijkertijd aan de terugkeer naar zijn land van herkomst zou werken. Verder betoogt de minister terecht dat de rechtbank ten onrechte bij haar oordeel heeft betrokken dat betrokkene nog een medische behandeling wil ondergaan in Nederland. Hij betoogt terecht dat betrokkene daar geen verblijfstitel voor heeft en deze ook niet heeft aangevraagd. De doorverwijzing naar een oogarts weegt niet op tegen het risico dat betrokkene zich wederom aan het toezicht onttrekt of de uitzettingsprocedure belemmert, mede gezien de gronden van de bewaring en de uitlatingen van betrokkene.
1.1.    De grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten en er geen vragen aan de orde zijn over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31), is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 13 mei 2024 in zaak nr. NL24.19061;
III.      verklaart het beroep ongegrond;
IV.     wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026
846-1122