Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:1911

Raad van State

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
202600737/2/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 Wet hersteloperatie toeslagenArt. 9.1 Wet hersteloperatie toeslagenArt. 8:81 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:86 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening schorsing uitspraak rechtbank inzake herbeoordeling kinderopvangtoeslag

De Dienst Toeslagen wees een herbeoordeling van een kinderopvangtoeslagaanvraag af omdat deze na de wettelijke termijn was ingediend. De rechtbank verklaarde het bezwaar van de aanvrager gegrond en beval een nieuwe inhoudelijke beoordeling. De Dienst Toeslagen stelde hoger beroep in en verzocht om schorsing van de uitspraak van de rechtbank.

De voorzieningenrechter van de Raad van State overwoog dat uitvoering van de uitspraak onomkeerbare gevolgen kan hebben, terwijl het hoger beroep nog moet worden beslist. De Dienst Toeslagen gaf aan dat zij door de uitspraak van de rechtbank verplicht is de aanvraag inhoudelijk te beoordelen, ook voor soortgelijke gevallen.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het belang van de Dienst Toeslagen bij schorsing zwaarder weegt dan het belang van de aanvrager bij een snelle beslissing, mede omdat het hoger beroep spoedig zal worden behandeld. Daarom werd de uitspraak van de rechtbank geschorst totdat op het hoger beroep is beslist.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt geschorst totdat op het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

202600737/2/A2.
Datum uitspraak: 7 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb)), hangende het hoger beroep van:
de Dienst Toeslagen,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 29 januari 2026 in zaak nr. 25/2919 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2024 heeft de Dienst Toeslagen een aanvraag van [wederpartij] afgewezen.
Bij besluit van 1 april 2025 heeft de Dienst Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 januari 2026 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen gemaakte beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 april 2025 vernietigd en de Dienst Toeslagen opgedragen om binnen zes weken na verzending van haar uitspraak een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van die uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de Dienst Toeslagen hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft Dienst Toeslagen de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Dienst Toeslagen heeft een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, gelijktijdig met het verzoek in de zaak 202600733/2/A2, op een zitting behandeld op 26 maart 2026, waar de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. J.A. van Gemeren, advocaat in Rotterdam, via videoverbinding, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [wederpartij] heeft op 12 augustus 2024 een zogenoemde herbeoordeling van kinderopvangtoeslag aangevraagd in het kader van de hersteloperatie toeslagen. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag niet inhoudelijk beoordeeld, omdat de aanvraag na afloop van de wettelijke termijn op 2 januari 2024 is ingediend (artikel 6.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht)) en er geen bijzondere omstandigheden zijn om een uitzondering te maken. [wederpartij] heeft met een beroep op de hardheidsclausule (artikel 9.1 van de Wht) aangevoerd dat haar aanvraag toch inhoudelijk moet worden beoordeeld.
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de hardheidsclausule niet is toegepast in het geval van [wederpartij]. Zij heeft daarbij overwogen dat de Dienst Toeslagen onvoldoende heeft gemotiveerd dat [wederpartij], wonend op Curaçao, in redelijkheid op de hoogte had kunnen en moeten zijn van de aanmeldtermijn voor het kunnen doen van een aanvraag om herbeoordeling. Volgens de rechtbank is niet aannemelijk gemaakt dat ook gedupeerde ouders die naar Curaçao zijn verhuisd zijn bereikt via de door de Dienst Toeslagen genoemde kanalen, die zijn gebruikt om de gedupeerden van de toeslagenaffaire op de hoogte te stellen van de hersteloperatie. Volgens de rechtbank had het op de weg van de Dienst Toeslagen gelegen om deze groep bijzondere aandacht te geven. De rechtbank vindt dat [wederpartij] aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet wist en in redelijkheid niet kon weten dat de aanmeldtermijn voor compensatie op 1 januari 2024 afliep. Gelet op de ruimte die de Dienst Toeslagen heeft bij het toepassen van de hardheidsclausule, heeft de rechtbank hem opgedragen om opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] te beslissen en daarbij haar uitspraak in acht te nemen.
3.       De Dienst Toeslagen heeft de voorzieningenrechter verzocht om de uitspraak van de rechtbank te schorsen totdat op zijn hoger beroep is beslist. Volgens de Dienst Toeslagen brengt uitvoering van die uitspraak onomkeerbare gevolgen met zich, terwijl in hoger beroep nog beslist moet worden of de rechtbank juist heeft geoordeeld.
Beoordeling verzoek
4.       De voorzieningenrechter kan in een geval als deze een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist (artikel 8:81 van Pro de Awb). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
5.       De voorzieningenrechter kan ingevolge artikel 8:86 van Pro de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien deze van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Zoals ook op de zitting is besproken doet deze situatie zich niet voor. De voorzieningenrechter zal daarom met een belangenafweging bepalen of er aanleiding bestaat om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.
6.       De Dienst Toeslagen heeft op de zitting desgevraagd te kennen gegeven dat hij in de uitspraak van de rechtbank geen ruimte ziet om tot een andere beslissing te komen dan het inhoudelijk moeten beoordelen van de aanvraag van [wederpartij]. Ditzelfde geldt voor soortgelijke gevallen van aanvragers die in het buitenland wonen. De voorzieningenrechter laat in het midden of het oordeel van de rechtbank ertoe noopt dat de Dienst Toeslagen de aanvraag van [wederpartij] en anderen inhoudelijk moet beoordelen, maar stelt vast dat de Dienst Toeslagen deze gevolgen aan de uitspraak van de rechtbank verbindt. Gelet op de beslissingsruimte die hij heeft bij het toepassen van de hardheidsclausule is dat aan hem. De uitspraak van de rechtbank brengt dus mee dat de Dienst Toeslagen de aanvraag van [wederpartij] en (mogelijk) de aanvragen van anderen die in het buitenland worden, inhoudelijk beoordeelt, in afwijking van de aanmeldtermijn die op grond van artikel 6.1 van de Wht in beginsel geldt.
7.       De Dienst Toeslagen heeft verder toegelicht dat het inhoudelijk beoordelen van een aanvraag zoals die van [wederpartij] leidt tot de vaststelling of iemand al dan niet gedupeerde van de toeslagenaffaire is en in aanmerking komt voor de daarbij behorende herstelmaatregelen en regelingen. De Dienst Toeslagen heeft te kennen gegeven dat, als een aanvrager eenmaal is aangemerkt als gedupeerde en de aanvrager herstelmaatregelen zijn toegekend, hij die beslissing gestand doet. Aan ouders wordt in de besluitvorming namelijk toegezegd dat zij uitgekeerde compensatie nooit hoeven terug te betalen. Dat betekent dat als hij [wederpartij] na een inhoudelijke beoordeling als gedupeerde aanmerkt en zij in aanmerking komt voor herstelmaatregelen op de voet van de Wht, dit niet wordt teruggedraaid en dat [wederpartij] eventueel uitgekeerde compensatie niet hoeft terug te betalen. Dit geldt ook als het hoger beroep van de Dienst Toeslagen gegrond blijkt te zijn en de grondslag voor het inhoudelijk beoordelen van de aanvraag van [wederpartij] door vernietiging van de uitspraak van de rechtbank wegvalt.
8.       Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank is de Dienst Toeslagen gehouden om een nieuw besluit te nemen. Hoewel het goed mogelijk is dat de Dienst Toeslagen niet in staat is om dat besluit te nemen voordat op het hoger beroep is beslist, valt dat ook niet uit te sluiten. Bovendien volgt uit de uitspraak van de rechtbank dat hij het nieuwe besluit al genomen had moeten hebben.
9.       Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de uitspraak van de rechtbank meebrengt dat de Dienst Toeslagen de aanvraag van [wederpartij] en aanvragen in soortgelijke gevallen inhoudelijk beoordeelt met mogelijk gevolgen waaraan het oordeel in het hoger beroep geen verandering meer zal brengen. De Dienst Toeslagen heeft daarom belang bij het niet hoeven uitvoeren van de uitspraak van de rechtbank totdat op het hoger beroep is beslist.
10.     Tegenover het belang van de Dienst Toeslagen staat het belang van [wederpartij], die zo snel mogelijk een inhoudelijk beslissing op haar aanvraag wil. Hoewel dat invoelbaar is, weegt bij de hiervoor genoemde stand van zaken het belang van de Dienst Toeslagen bij schorsing van de uitspraak van de rechtbank zwaarder. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de Afdeling het voornemen heeft om het hoger beroep van de Dienst Toeslagen begin juli 2026 op een zitting te behandelen, zodat de beslissing op het hoger beroep naar verwachting binnen afzienbare tijd kan worden verwacht.
Slotsom
11.     De voorzieningenrechter zal de uitspraak van de rechtbank schorsen totdat op het hoger beroep is beslist.
12.     De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
schorst bij wijze van voorlopige voorziening de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 29 januari 2026 in zaak nr. 25/2919, totdat op het hoger beroep is beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. I.K. van de Riet, griffier.
w.g. Willems
voorzieningenrechter
w.g. Van de Riet
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2026
994