Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:1943

Raad van State

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
202404232/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetWet ruimtelijke ordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering vaststelling bestemmingsplan locatie Winssen door gemeente Beuningen

Appellanten zijn eigenaren van een perceel in Winssen en hebben een aanvraag ingediend voor het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan om de bouw van een vrijstaand woonhuis mogelijk te maken. De gemeenteraad van Beuningen heeft het plan geweigerd vast te stellen, omdat het in strijd zou zijn met het structuurmodel Winssen en de landschappelijke waarden van het oeverwallengebied zou aantasten.

De appellanten voerden aan dat er geen beperkingen voor omliggende agrarische bedrijven zouden zijn en dat het plan een kwaliteitsimpuls zou geven door landschappelijke inpassing. Tevens stelden zij dat het plan in overeenstemming was met de gemeentelijke woonvisie. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de raad zich op het standpunt mocht stellen dat het plan in strijd was met het structuurmodel, omdat het oeverwallengebied wordt aangetast door de woningbouwontwikkeling.

Verder werd vastgesteld dat de gemeentelijke woonvisie (Woonagenda Nijmegen e.o. 2020-2023) niet meer van kracht was op het moment van het besluit, zodat deze niet kon worden betrokken bij de beoordeling. De Afdeling verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit van de raad in stand. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de gemeente Beuningen om het bestemmingsplan vast te stellen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

202404232/1/R4.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A] en [appellante B], beiden wonend in Winssen, gemeente Beuningen,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Beuningen,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 9 april 2024 heeft de raad geweigerd om het bestemmingsplan "[locatie] Winssen" vast te stellen.
Tegen dit besluit hebben [appellant A ] en [appellante B] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[partij A] en[partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 maart 2026, waar [appellant A ] en [appellante B], vertegenwoordigd door mr. M.M. Breukers, rechtsbijstandverlener in Leusden, en [gemachtigde], zijn verschenen. Verder zijn op zitting[partij A] en[partij B], bijgestaan door mr. E.T. de Jong, advocaat in Arnhem, gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Als een aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om het bestemmingsplan vast te stellen is ingediend op 21 april 2020. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2.       [appellant A ] en [appellante B] zijn de eigenaren van het perceel [locatie] in Winssen. Om de bouw van één vrijstaand woonhuis mogelijk te maken nadat hun perceel is gesplitst, hebben [appellant A ] en [appellante B] een aanvraag ingediend voor de vaststelling van een nieuw plan. Het ontwerpplan heeft vanaf 21 oktober 2022 ter inzage gelegen maar de raad heeft geweigerd het plan vast te stellen. [appellant A ] en [appellante B] zijn het niet eens met deze weigering.
Toetsingskader
3.       Bij het besluit over de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsruimte en moet hij de betrokken belangen afwegen. De Afdeling maakt die belangenafweging niet zelf, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit om het bestemmingsplan niet vast te stellen in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
De beroepsgronden
Ruimtelijke ordening
4.       [appellant A ] en [appellante B] betogen dat de raad het plan ten onrechte niet heeft vastgesteld vanwege strijd met het structuurmodel Winssen (het structuurmodel) en de gemeentelijke woonvisie. [appellant A ] en [appellante B] voeren aan dat in paragraaf 4.4.2 van de toelichting bij het ontwerpplan is toegelicht dat er in dit specifieke geval geen sprake is van een beperking van omliggende agrarische bedrijven, waardoor de gevraagde ontwikkeling niet in strijd is met het structuurmodel. Gelet op paragraaf 3.3.3 van de toelichting bij het ontwerpplan is juist sprake van een kwaliteitsimpuls vanwege de landschappelijke inpassing. Het gevoelige oeverwallengebied wordt volgens [appellant A ] en [appellante B] daarom niet aangetast. Onder verwijzing naar paragraaf 3.3.2 van de toelichting bij het ontwerpplan voeren [appellant A ] en [appellante B] verder aan dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met de toen geldende gemeentelijke woonvisie, namelijk de Woonagenda Nijmegen e.o. 2020-2023 (de woonagenda). Tot slot voeren [appellant A ] en [appellante B] aan dat voor precedentwerking niet hoeft te worden gevreesd.
4.1.    In het structuurmodel staat waar er een mogelijkheid is voor woningbouwontwikkeling in Winssen. Hoewel verdichting het groene karakter en de openheid van de linten aantast, is in een aantal in het structuurmodel aangewezen linten ruimte voor kleinschalige verdichtingen. Buiten de aangewezen linten is er geen ruimte voor verdichting volgens het structuurmodel. De Deijnschestraat is in het structuurmodel niet aangewezen als lint waar kleinschalige verdichting mogelijk is. Daarnaast voert de raad aan dat het plan het landschappelijke karakter van het gevoelige oeverwallengebied ongewenst aantast. De raad stelt zich daarom op het standpunt dat vaststelling van het plan in strijd komt met het structuurmodel.
4.2.    De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de door [appellant A ] en [appellante B] gewenste ontwikkeling in strijd is met het structuurmodel, omdat het oeverwallengebied zal worden aangetast. Dat er geen agrarische bedrijven in de omgeving beperkingen zullen ondervinden van de gevraagde ontwikkeling, wat daar verder van zij, doet er niet aan af dat met de gewenste woningbouw een verdichting zal optreden, waarmee het oeverwallengebied zal worden aangetast. De Afdeling ziet in wat [appellant A ] en [appellante B] hebben aangevoerd geen aanleiding voor een ander oordeel. De raad heeft daarom het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening kunnen achten.
Het betoog faalt in zoverre.
4.3.    Voor zover [appellant A ] en [appellante B] aanvoeren dat het ontwerpplan in overeenstemming is met de toen geldende gemeentelijke woonvisie, overweegt de Afdeling nog het volgende. De Afdeling toetst het bestreden besluit op basis van de feiten zoals die zich voordeden en het recht zoals dat gold op het moment van het nemen van het bestreden besluit. Zoals besproken tijdens de zitting was de woonagenda niet meer in werking tijdens het besluit van 9 april 2024, waardoor de woonagenda niet kan worden betrokken bij de beoordeling van het geschil waarover deze uitspraak gaat.
Het betoog faalt ook in zoverre.
4.4.    Gelet op het voorgaande heeft de raad mogen weigeren het plan vast te stellen.
Omdat het weigeringsbesluit van de raad al in stand kan blijven als één van de weigeringsgronden deugdelijk is gemotiveerd, laat de Afdeling de beroepsgronden tegen de overige weigeringsgronden buiten inhoudelijke bespreking.
Conclusie
5.       Het beroep is ongegrond.
6.       De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.
w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vermeulen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026
700-1194