202407767/1/V6.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant],
appellant,
en
de minister van Defensie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 maart 2022 heeft de minister een verzoek van [appellant] om op enige wijze zijn overkomst naar Nederland te faciliteren (het verzoek), afgewezen.
Bij besluit van 28 november 2024 heeft de minister het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] en de minister hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.M.J. van Zantvoort, advocaat in ’s-Hertogenbosch, en [persoon A], en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat in Den Haag, en mr. A.J.M. Zwiep en mr. F.D. Eftekhari, zijn verschenen. Verder is ter zitting gehoord [getuige]. Als tolk was aanwezig A.R. Faquiri.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft de Afghaanse nationaliteit en verblijft in Afghanistan. Op 29 december 2021 heeft hij de minister gevraagd om hem en zijn gezin naar Nederland over te brengen. [appellant] stelt dat hij als bewaker van Afghan Security Guard (hierna: ASG) voor de Nederlandse overheid heeft gewerkt op Tarin Kowt Air Field bij Kamp Holland in Uruzgan, Afghanistan, in de periode 2007 tot 2010. Volgens [appellant] loopt hij door deze werkzaamheden gevaar in Afghanistan.
2. De minister heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van de Werkafspraken tolken (de Tolkenregeling). Zij heeft het verzoek afgewezen, omdat [appellant] volgens haar niet voldoet aan de vereisten om naar Nederland te worden overgebracht.
3. In een uitspraak van 23 april 2024 in zaak nr. 202400963/1/V6 heeft de Afdeling een eerder besluit op bezwaar van 9 februari 2023 vernietigd en bepaald dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld. De minister heeft het verzoek bij besluit van 28 november 2024 opnieuw ongegrond verklaard. Partijen zijn het eens over de identiteit en nationaliteit van [appellant]. Ook zijn partijen het erover eens dat [appellant] voor een substantiële periode ten behoeve van een Nederlandse militaire missie werkzaamheden heeft verricht als bewaker van ASG. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of [appellant] ‘hoog profiel werkzaamheden’ heeft verricht en of hij als gevolg van de door hem verrichte werkzaamheden gevaar loopt.
4. De Tolkenregeling is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Heeft [appellant] ‘hoog profiel werkzaamheden’ als bedoeld in de Tolkenregeling verricht?
5. In de eerste beroepsgrond voert [appellant] aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij tijdens zijn werkzaamheden weliswaar zichtbaar was in zijn hoedanigheid als bewaker van ASG doordat hij dagelijks aan de toegangspoort stond en hierbij in contact kwam met bezoekers van het kamp, maar dat deze werkzaamheden niet aangemerkt kunnen worden als ‘hoog profiel werkzaamheden’ als bedoeld in de Tolkenregeling. [appellant] betoogt dat niet is vereist dat een persoon ‘hoog profiel werkzaamheden’ heeft verricht om voor overbrenging op grond van de Tolkenregeling in aanmerking te komen. Volgens [appellant] heeft dit alleen invloed op de aannemelijkheid dat een persoon als gevolg van zijn werkzaamheden gevaar loopt en moet worden gekeken naar de zichtbaarheid van de werkzaamheden in het individuele geval. Als wel is vereist dat een persoon ‘hoog profiel werkzaamheden’ heeft verricht, dan heeft hij die verricht, gelet op de duur van zijn dienstverband en de zichtbaarheid van zijn werkzaamheden aan de toegangspoort, aldus [appellant].
5.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:1869, onder 5.2.3 tot en met 5.2.6, volgt dat er twee groepen zijn die onder de Tolkenregeling vallen, namelijk personen die ‘hoog profiel werkzaamheden’ hebben verricht en daardoor gevaar lopen (de eerste groep) en anderen die werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van een Nederlandse militaire missie in Afghanistan of ten behoeve van een Nederlandse functionaris in het kader van een internationale militaire missie of politiemissie in Afghanistan en daardoor gevaar lopen (de tweede groep). [appellant] betoogt daarom terecht dat niet is vereist dat een persoon ‘hoog profiel werkzaamheden’ heeft verricht om voor overbrenging op grond van de Tolkenregeling in aanmerking te komen. [appellant] betoogt tevergeefs dat hij ‘hoog profiel werkzaamheden’ heeft verricht. Uit de uitspraak van de Afdeling van vandaag, onder 5.2.4, volgt dat het hierbij gaat om werkzaamheden waarbij Nederland een persoon op individuele basis in een specifieke positie heeft geplaatst waarin hij extra zichtbaar was en werd vereenzelvigd met de Nederlandse missie, en dat hierbij moet worden gedacht aan tolken, genderspecialisten, persoonlijke bewakers of persoonlijke chauffeurs. Uit die overweging volgt verder dat voormalige bewakers van ASG over het algemeen geen ‘hoog profiel werkzaamheden’ hebben verricht, omdat Nederland hen niet op individuele basis in een specifieke positie heeft geplaatst waarin zij vertrouwelijke of gevoelige informatie hebben gekregen. [appellant] heeft geen omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat Nederland hem wel in zo’n positie heeft geplaatst. Ook anderszins heeft hij dit niet aannemelijk gemaakt. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de minister zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat hij geen ‘hoog profiel werkzaamheden’ heeft verricht als bedoeld in de Tolkenregeling.
5.2. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft [appellant] aannemelijk gemaakt dat hij gevaar loopt als gevolg van zijn werkzaamheden als bedoeld in de tweede groep?
6. In de tweede beroepsgrond voert [appellant] aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat er een causaal verband is tussen zijn werkzaamheden in de periode 2007 tot 2010 en de gestelde bedreiging nu. Volgens [appellant] mag de minister niet van hem vergen dat hij dit bewijst, omdat dit niet met bewijsstukken te onderbouwen is. [appellant] stelt dat hij gevaar loopt. Hij voert in dit kader aan dat een broer van hem is neergeschoten en dat de Taliban zijn huis hebben bezocht en later ook doorzocht. Omdat hij is ondergedoken, weet hij niet of de Taliban zijn huis daarna nogmaals hebben doorzocht. Ook wijst hij op de duur van zijn werkzaamheden.
6.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:1869, onder 5.2.3 en 5.2.5, volgt dat een verzoeker aannemelijk moet maken dat hij werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van een Nederlandse militaire missie in Afghanistan, dat hij gevaar loopt en dat dit gevaar het gevolg is van die werkzaamheden. [appellant] betoogt daarom terecht dat hij het causaal verband niet hoeft te bewijzen. Dit leidt echter niet tot het door hem beoogde resultaat. De minister heeft zich namelijk, anders dan [appellant] betoogt, terecht op het standpunt gesteld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gevaar loopt en ook niet dat dat gevaar verband houdt met de werkzaamheden die hij in de periode 2007 tot 2010 op Tarin Kowt Air Field bij Kamp Holland heeft verricht. Alleen de duur van die werkzaamheden is onvoldoende om aan te nemen dat [appellant] gevaar loopt. De minister heeft hierbij niet ten onrechte betrokken dat die werkzaamheden meer dan tien jaar geleden hebben plaatsgevonden. Dat [appellant] gevaar loopt, volgt ook niet uit het feit dat een broer van hem is neergeschoten. De minister heeft in dit kader niet ten onrechte bij zijn beoordeling betrokken dat in Afghanistan veel mogelijke oorzaken van gevaar bestaan. Zij heeft zich hierbij terecht op het standpunt gesteld dat uit een verklaring van een getuige van 5 september 2024 volgt dat die broer heeft gewerkt bij de politie, en dat ook om die reden op hem kan zijn geschoten. Verder heeft [appellant] in twee WhatsApp-berichten van 25 en 28 september 2025 geschreven dat de Taliban hem bedreigen, dat hij daarom iedere drie maanden moet verhuizen en dat hij vaak telefoontjes krijgt van onbekende nummers waarin hem wordt gevraagd naar zijn adres. Ook heeft hij daarin geschreven dat zijn voormalige buren nu nauwe banden hebben met de Taliban. Tijdens de zitting bij de Afdeling heeft hij toegelicht dat met name uit de omstandigheid dat de Taliban zijn huis hebben bezocht en later ook doorzocht, volgt dat zij hem zoeken. Het voorgaande leidt echter niet tot het door [appellant] beoogde resultaat. De minister heeft zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat hij met zijn stelling dat de Taliban zijn huis hebben bezocht en later ook doorzocht, wat hiervan verder ook zij, niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze gebeurtenissen verband houden met zijn werkzaamheden bij Kamp Holland. Ook heeft zij zich terecht op het standpunt gesteld dat hieruit niet volgt dat [appellant] op dit moment gevaar loopt, omdat dit geen actuele gebeurtenissen zijn. Zij heeft er in dit kader terecht op gewezen dat uit een aanvulling van 3 september 2024 op een hoorzitting van 20 augustus 2024 bij de Commissie advisering bezwaarschriften Defensie volgt, dat die doorzoeking toen al zo’n twee jaar eerder had plaatsgevonden. Daarbij betoogt [appellant] tevergeefs dat hij niet weet of de Taliban zijn huis daarna nogmaals hebben doorzocht omdat hij is ondergedoken, omdat het aan hem is om aannemelijk te maken dat het gestelde gevaar verband houdt met de werkzaamheden die hij bij Kamp Holland heeft verricht.
Tot slot heeft [appellant] verschillende stukken overgelegd om te onderbouwen dat voormalige bewakers van ASG als gevolg van hun werkzaamheden gevaar lopen. Het gaat om artikelen uit het NRC Handelsblad van 22 september 2024 en 2 juli 2025, een verklaring van [persoon B] van 13 november 2025, een verklaring van dr. M.K. Chiovenda en dr. A. Chiovenda van 14 november 2025, samenvattingen van interviews op 19 januari 2023, 11 februari 2025 en 12 september 2025 van twee medewerkers van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) met de voormalig commandant van ASG voor Kamp Holland, een ‘position paper’ van VWN van 14 oktober 2024, een ‘position paper’ van oktober 2024 van een Nederlandse voormalige commandant van Kamp Hadrian, het ‘Country of Origin Information Report’ van het European Asylum Support Office (EASO, nu: European Union Agency for Asylum, EUAA) van november 2024, de ‘Country Guidance: Afghanistan’ van het EUAA van juni 2019, januari 2023 en mei 2024, de ‘Country Policy and Information Note’ van het UK Home Office van augustus 2025, de ‘Guidance Note on Afghanistan’ van UNHCR van februari 2023 en september 2025, een rapport van Asylos over Afghanistan van oktober 2025 en het Algemeen Ambtsbericht Afghanistan van maart 2022 en juni 2023. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze stukken [appellant] niet kunnen baten, omdat deze niet over hem persoonlijk gaan. Hij heeft hiermee dus niet geconcretiseerd dat hij gevaar loopt en ook niet dat dat gevaar verband houdt met de werkzaamheden die hij in de periode 2007 tot 2010 bij Kamp Holland heeft verricht.
6.2. De beroepsgrond slaagt niet.
Het vertrouwensbeginsel
7. In de derde beroepsgrond doet [appellant] een beroep op het vertrouwensbeginsel. Hij wijst er in dit kader op dat het kabinet Rutte IV in de Staat van het Consulaire van 28 juni 2024 de intentie heeft uitgesproken om ‘een (in omvang en tijd) afgebakende groep Afghaanse bewakers’ die zich voor Nederland hebben ingezet voor overbrenging in aanmerking te laten komen. Volgens [appellant] had het kabinet Schoof hier niet van terug mogen komen in de Kamerbrief van 27 september 2024 (Kamerstukken II 2024/25, 27 925, nr. 970).
7.1. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Voor een geslaagd beroep daarop is vereist dat [appellant] aannemelijk maakt dat de minister een toezegging of andere uitlating heeft gedaan of een gedraging heeft verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht afleiden of en zo ja, hoe de minister in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, onder 11.2. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de minister aan hem zo’n toezegging of andere uitlating heeft gedaan. De door het kabinet Rutte IV in de Staat van het Consulaire uitgesproken intentie om ‘een (in omvang en tijd) afgebakende groep Afghaanse bewakers’ die zich voor Nederland hebben ingezet voor overbrenging in aanmerking te laten komen, bevat geen toezegging die specifiek tot [appellant] is gericht. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.R. van Ark, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Van Ark
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026
861
BIJLAGE
Werkafspraken tolken (de Tolkenregeling)
Inleiding
Deze werkafspraken geven uitvoering aan het kabinetsstandpunt dat lokale medewerkers die ten behoeve van een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht en als gevolg hiervan gevaar lopen, op steun kunnen rekenen. Dit is ook als zodanig verwoord door de bewindspersonen van Defensie en V&J tijdens het debat over de bescherming van tolken van 14 oktober 2014. Elk beschermingsverzoek in dit kader wordt op eigen merites beoordeeld; er is geen sprake van een collectieve regeling. Met deze werkafspraken wordt beoogd de taakverdeling tussen de ministeries van Defensie, BZ en V&J (waaronder de IND) vast te leggen zodat een zorgvuldige en voorspoedige afhandeling van de beschermingsverzoeken kan worden gerealiseerd.
Afspraken
• De doelgroep op wie deze werkafspraken van toepassing zijn, betreft: (voormalig) lokale medewerkers die voor een substantiële periode, d.w.z. niet op incidentele basis, ten behoeve van een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht, en die als gevolg hiervan aannemelijk kunnen maken dat zij persoonlijk risico lopen en bescherming nodig hebben. Hierbij wordt opgemerkt dat de aard van de werkzaamheden van invloed kan zijn op de aannemelijkheid dat iemand als gevolg daarvan bescherming nodig heeft. In beginsel wordt die kans hoger geacht bij ‘hoog profiel werkzaamheden’ waarbij verzoeker zichtbaar en regelmatig met een Nederlandse missie in verband is gebracht zoals bij tolk en chauffeursdiensten. Elk beschermingsverzoek wordt echter individueel beoordeeld. De juridische relatie van verzoeker met de militaire missie is leidend, maar niet in alle gevallen bepalend. Zo zullen lokale medewerkers die zijn ingehuurd door een andere autoriteit (een internationale organisatie (Navo, VN) of door een ander land), maar primair voor de Nederlandse militaire missie worden of zijn ingezet, bij een verzoek voor bescherming in eerste instantie worden verwezen naar deze autoriteiten. Wanneer deze autoriteiten het beschermingsverzoek niet in behandeling nemen zal Nederland het verzoek beoordelen.
• Alle verzoeken die bij BZ via het posten netwerk of bij Defensie via de militaire missieleiding, of eventueel op andere wijze binnenkomen, worden door het ontvangend departement geregistreerd en zo snel mogelijk op ambtelijk niveau gedeeld met de betrokken ministeries (Def, BZ, V&J/IND).
• Een beschermingsverzoek dient in elk geval de personalia (naam, geboortedatum en plaats) van de indiener te bevatten, alsmede een beschrijving van de aard van de bedreiging. Indien nodig vraagt de ambassade of Defensie de verzoeker deze gegevens aan te leveren, alvorens het verzoek door te geleiden naar de betrokken ministeries.
• Defensie streeft ernaar binnen tien werkdagen na ontvangst van het verzoek, uitsluitsel te geven of verzoeker heeft gewerkt voor de Nederlandse missie en welke Juridische relatie hierbij van toepassing was. Tevens worden de aard, tijd, en de frequentie van de aangegeven werkzaamheden gecontroleerd en de hieraan gerelateerde (publieke) blootstelling. Ook de eventuele reden voor ontslag wordt —voor zover mogelijk — geverifieerd.
• Indien Defensie aangeeft dat verzoeker voor een Nederlandse militaire missie heeft gewerkt, zal door zorg van BZ aan hem/haar worden gevraagd een door de IND opgestelde gestandaardiseerde vragenlijst in te vullen. De antwoorden worden gedeeld met de betrokken ministeries en betrokken bij de nadere beoordeling van het beschermingsverzoek.
• BZ toetst de geclaimde persoonlijke gevaarzetting aan de hand van de bij BZ en Defensie bekende algemene dreigingsinschatting voor lokaal (militair) missiepersoneel in het betreffende land en stelt in overleg met Defensie een advies op. De toetsing gebeurt binnen de mogelijkheden van de lokale (veiligheids)context en de ter beschikking staande onderzoeksmiddelen.
• Een interdepartementaal directeurenoverleg (op afroep), bestaande uit directeuren van Defensie, BZ en V&J (IND), besluit op grond van het door BZ en Defensie opgestelde advies per afzonderlijk ingediend beschermingsverzoek, of dit moet worden doorgezet naar V&J/IND voor verdere behandeling.
• De beschermingsverzoeken die niet van voldoende substantie worden geacht, worden niet doorgestuurd aan de IND. Het ministerie (Defensie of BZ) waarbij het verzoek is ingediend stelt de verzoeker op de hoogte dat het verzoek niet voor verdere behandeling in aanmerking komt.
• De beschermingsverzoeken die door de directeuren van voldoende substantie worden geacht, worden door BZ en Defensie per brief voorgelegd aan de Hoofddirecteur van de IND in afschrift aan de Directeur Migratiebeleid van V&J. Daarbij wordt tenminste ingegaan op de verzoeker zijn/haar dienstverband, aard, tijd, en de frequentie van de aangegeven werkzaamheden en de hieraan gerelateerde (publieke) blootstelling. Tevens wordt een inschatting gegeven van de actuele gevaarzetting van de verzoeker door BZ. De door of namens verzoeker ingevulde vragenlijst wordt als bijlage meegestuurd.
• Indien de IND daartoe aanleiding ziet is er de mogelijkheid om in aanvulling op de reeds ingevulde vragenlijst via de post nadere vragen te stellen aan de verzoeker.
• Elk door Defensie en BZ voorgedragen beschermingsverzoek wordt door de IND voorzien van een advies en per nota voorgelegd aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
• Indien een zaak positief wordt beoordeeld, machtigt de IND de post tot verstrekking van een inreisvisum (MVV humanitair of visum kort verblijf ‘territoriaal beperkt’). De verzoeker kan vervolgens in Nederland een asielaanvraag indienen volgens de daarvoor geldende procedure. De verzoeker dient er in beginsel zelf voor zorg te dragen dat hij/zij over een geldig reis- en identiteitsdocument beschikt als voorwaarde om in te kunnen reizen.
• De daadwerkelijke overbrenging van de verzoeker naar Nederland en de hiermee gemoeide kosten vallen onder de verantwoordelijkheid van het ministerie waarvoor de verzoeker de werkzaamheden heeft verricht. Na aankomst in Nederland wordt zoveel mogelijk het reguliere asielproces gevolgd. Hiervoor zal de IND in overleg met de betrokken ketenpartners een procesbeschrijving opstellen.
• De doorlooptijd die wordt nagestreefd voor afhandeling van deze beschermingsverzoeken bedraagt maximaal tien weken vanaf de ontvangst van het beschermingsverzoek van verzoeker. Deze termijn is exclusief de tijd die verzoeker zelf gebruikt om benodigde aanvullende informatie aan te leveren en de vragenlijst in te vullen.