ECLI:NL:RVS:2026:1949

Raad van State

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
202303522/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:11 AwbArt. 3:46 AwbArt. 3:41 IOVArt. 8:42 AwbArt. 8:69a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning zonnepark Aardbrandsven wegens procedurele en motiveringsgebreken

Op 30 november 2021 diende Sunvest namens Zonnepark Aardbrandsven B.V. een aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor een zonnepark in Budel, gemeente Cranendonck. Het college verleende op 6 juli 2022 de vergunning voor 25 jaar, waarna diverse partijen, waaronder ZLTO en anderen, beroep instelden. De rechtbank verklaarde deze beroepen ongegrond, maar de appellanten gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat het college de anterieure overeenkomst, een essentieel stuk voor de beoordeling, niet ter inzage had gelegd bij het ontwerpbesluit, wat in strijd is met artikel 3:11 Awb Pro. Tevens was de vergunning onduidelijk doordat essentiële inhoud van deze overeenkomst niet in de vergunningstekst of als bijlage was opgenomen, wat de rechtszekerheid schaadt. Verder had het college niet getoetst aan de geldende versie van artikel 3.41 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) en onvoldoende gemotiveerd waarom het zonnepark niet in de laatste trede van de gemeentelijke zonneladder valt.

Daarnaast was de motivering over de impact op de landbouwstructuur onvoldoende, omdat het college niet had onderzocht of het zonnepark tot versnippering en verslechtering van landbouwstructuur leidt. Ook was de invulling van de financiële participatie-eis van 50% eigendom door de lokale omgeving onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Andere bezwaren, zoals over het herstel na 25 jaar en wateroverlast, werden verworpen. De Afdeling vernietigde het besluit van 6 juli 2022 en het gewijzigde besluit van 9 september 2025 en wees het college op de noodzaak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De omgevingsvergunning voor het zonnepark Aardbrandsven wordt vernietigd vanwege procedurele en motiveringsgebreken.

Uitspraak

202303522/1/R2.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1.       ZLTO Groote Heide, [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C], gevestigd in Valkenswaard respectievelijk wonend in Maarheeze en Budel, gemeente Cranendonck, (hierna: ZLTO en anderen),
2.       [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend in Budel, gemeente Cranendonck, (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 2])
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 6 april 2023 in zaak nrs. 22/1872, 22/1906 en 22/1910 in het geding tussen:
1.       [partij sub 1], wonend in Budel, gemeente Cranendonck,
2.       ZLTO en anderen,
3.       [appellant sub 2]
en
het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck.
Procesverloop
Bij besluit van 6 juli 2022 heeft het college aan Zonnepark Aardbrandsven B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de duur van 25 jaar voor de aanleg van het zonnepark "Aardbrandsven" aan de Randweg Oost in Budel in de gemeente Cranendonck.
Bij uitspraak van 6 april 2023 heeft de rechtbank het door ZLTO en anderen en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben ZLTO en anderen en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.
Het college, de raad van de gemeente Cranendonck, en Zonnepark Aardbrandsven B.V., initiatiefnemer, hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven.
ZLTO en anderen, [appellant sub 2] en Zonnepark Aardbrandsven B.V. hebben nadere stukken ingediend.
Bij besluit van 9 september 2025 heeft het college de omgevingsvergunning opnieuw, gewijzigd verleend.
[appellant sub 2] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld van 29 september 2025, waar [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], ZLTO en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, advocaat in Helmond, en het college, vertegenwoordigd door D.C.F.J. Velings en M.B.E.J. Kösters, zijn verschenen. Verder is op de zitting Zonnepark Aardbrandsven B.V., vertegenwoordigd door mr. L.P.W. Mensink, advocaat in Amsterdam, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 30 november 2020. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo en de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Op 30 november 2021 heeft Sunvest Ontwikkeling B.V. (hierna: Sunvest) namens Zonnepark Aardbrandsven B.V. een aanvraag om een omgevingsvergunning bij het college ingediend voor de aanleg van het zonnepark "Aardbrandsven". Het project is voorzien in een gebied tussen de Ruilverkavelingsweg en de Randweg Oost in Budel, in de gemeente Cranendonck (hierna: het projectgebied).
Uit de bij de aanvraag behorende ruimtelijke onderbouwing volgt dat het beoogde zonnepark een omvang heeft van 76,5 ha, waarvan ongeveer 49 ha voor zonnepanelen wordt aangewend. De zonnepanelen leveren samen een vermogen van ongeveer 104 MWp, waarmee ongeveer 35.000 huishoudens van duurzaam opgewerkte energie kunnen worden voorzien. Het projectgebied voorziet daarnaast in ruimte voor 6 batterijen, 16 transformatorstations, 30 cameramasten, een hekwerk, 2 informatieborden en een inkoopstation. De overige ruimte wordt aangewend voor onderhoudspaden en een landschappelijke inpassing.
3.       Bij het besluit van 6 juli 2022 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten "bouwen", "afwijken van het bestemmingsplan" en "uitvoeren van een werk of werkzaamheden". Het college is met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a,  onder 3˚, van de Wabo afgeweken van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied", dat de raad heeft vastgesteld op 8 december 2009. Het zonnepark is voorzien op gronden waaraan de bestemmingen "Agrarisch", "Leiding - Hoogspanningsverbinding" en "Waarde Archeologie" zijn toegekend. Het zonnepark voldoet niet aan de bouwregels en gebruiksregels van het bestemmingsplan.
4.       De partijen die in beroep zijn gekomen (met uitzondering van ZLTO) hebben agrarische percelen rondom het projectgebied in eigendom en zijn het om verschillende redenen niet eens met de verleende omgevingsvergunning, onder meer omdat het zonnepark is voorzien op bruikbare landbouwgronden. Zij hebben daarom beroep ingesteld tegen het besluit van 6 juli 2022.
5.       Bij de uitspraak van 6 april 2023 heeft de rechtbank deze beroepen ongegrond verklaard en de verleende omgevingsvergunning in stand gelaten. ZLTO en anderen en [appellant sub 2] kunnen zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen en hebben hoger beroep ingesteld.
Beoordeling hoger beroepen
Anterieure overeenkomst; terinzagelegging ontwerp
6.       ZLTO en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in strijd met artikel 3:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken met het ontwerp van de omgevingsvergunning ter inzage zijn gelegd. ZLTO en anderen wijzen in dit verband op de "Anterieure overeenkomst zonnepark aan de Randweg Oost te Budel (Zonnepark Aardbrandsven)" van 16 december 2021 (hierna: de anterieure overeenkomst) en de bijlagen daarbij, waarnaar in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de activiteit "afwijken van het bestemmingsplan" is verwezen. ZLTO en anderen betogen ook dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de omgevingsvergunning in strijd met de rechtszekerheid is verleend. ZLTO en anderen voeren daarover aan dat in de vergunningvoorschriften voor de inhoud en de uitwerking van de daarin opgenomen verplichtingen wordt verwezen naar de anterieure overeenkomst of een bijlage daarbij, terwijl de desbetreffende inhoud niet kenbaar in de omgevingsvergunning zelf is opgenomen.
6.1.    Op grond van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.
6.2.    De Afdeling is van oordeel dat de anterieure overeenkomst, voor zover daarnaar in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de activiteit "afwijken van het bestemmingsplan" wordt verwezen, een op de zaak betrekking hebbend stuk is dat redelijkerwijs nodig is voor een beoordeling van het ontwerp van de omgevingsvergunning. Op de zitting heeft het college dit ook erkend. Omdat ZLTO en anderen terecht aanvoeren dat de anterieure overeenkomst niet met het ontwerp ter inzage is gelegd, is het besluit van 6 juli 2022 in zoverre in strijd met artikel 3:11 van Pro de Awb. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
Het betoog slaagt.
6.3.    De Afdeling stelt vervolgens vast dat de inhoud van de anterieure overeenkomst, waarnaar in de voorschriften 1 tot en met 4 en 7 tot en met 10 van de omgevingsvergunning voor de activiteit "afwijken van het bestemmingsplan" is verwezen, niet als zodanig in de omgevingsvergunning is opgenomen. Het college heeft op de zitting toegelicht dat het deze inhoud van de anterieure overeenkomst nodig acht met het oog op het belang van een goede ruimtelijke ordening (artikel 2.22, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo), maar heeft evenwel niet kunnen toelichten waarom deze inhoud niet bijvoorbeeld in de tekst van de betreffende voorschriften of als bijlage bij de omgevingsvergunning is opgenomen. ZLTO en anderen betogen daarom terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit van 6 juli 2022 in zoverre in strijd met de rechtszekerheid is genomen.
Het betoog slaagt.
7.       Overigens heeft het college, door de betreffende inhoud van de anterieure overeenkomst niet aan de Afdeling toe te zenden, ook niet voldaan aan zijn verplichting als bedoeld in artikel 8:42 van Pro de Awb om alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de Afdeling toe te zenden.
Artikel 3.41 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV)
8.       ZLTO en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het project niet in strijd is met de zogenoemde zonneladder als bedoeld in artikel 3.41, eerste lid, van de IOV. ZLTO en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de in artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder a bedoelde noodzaak voor het zonnepark een gegeven is. ZLTO en anderen voeren daarover aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte niet heeft getoetst aan het artikel 3.41, eerste lid, in de versie van de IOV die gold ten tijde van het besluit van 6 juli 2022. Aan artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder a, van die versie van de IOV zijn ten opzichte van de daarvoor geldende versie namelijk een aantal voorwaarden onder 3 en 4 toegevoegd. Die houden in dat moet worden gekeken naar de mogelijkheden van een zonnepark (3) door meervoudig ruimtegebruik in Landelijk gebied of binnen bestaand ruimtebeslag op bouwpercelen, en (4) op gronden aansluitend aan Stedelijk Gebied. De rechtbank heeft volgens ZLTO en anderen dan ook ten onrechte het standpunt van het college gevolgd dat de tekst van artikel 3.41 van de IOV in de voorheen geldende versie van de IOV niet wezenlijk verschilt van de versie van de IOV die gold ten tijde van het besluit van 6 juli 2022.
8.1.    De Afdeling overweegt dat de in artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOV neergelegde zonneladder de voorkeursvolgorde weergeeft voor locaties voor zonneparken. Het uitgangspunt van deze zonneladder is dat eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid van het ontwikkelen van andere vormen van duurzame energie (trede 1). Vervolgens wordt gekeken naar de vestiging van zonnepanelen binnen Stedelijk gebied (trede 2), de vestiging van zonnepanelen door meervoudig ruimtegebruik in Landelijk gebied of binnen bestaand ruimtebeslag op bouwpercelen (trede 3), en de vestiging van zonnepanelen op gronden aansluitend aan Stedelijk gebied (trede 4). Pas daarna wordt toegekomen aan de vestiging van zonnepanelen in Landelijk gebied.
8.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3624, onder 14.3, vereist de onder meer in de IOV opgenomen zonneladder niet dat eerst daadwerkelijk alle mogelijkheden op eerdere treden van de zonneladder zijn benut. Het toestaan van een zonnepark op een locatie die de laatste voorkeur heeft, vereist echter wel een goede motivering.
8.3.    Niet in geschil is dat het projectgebied is gelegen op gronden die ingevolge de IOV en de bij de IOV behorende kaart zijn aangewezen als Landelijk Gebied.
8.4.    De Afdeling stelt vast dat ten tijde van het besluit van 6 juli 2022 het artikel 3.41 van de IOV van toepassing was, zoals dat luidde in de versie van de IOV die gold van 15 april 2022 tot en met 20 maart 2023. In deze versie van de IOV is ten opzichte van de daarvoor geldende versie het artikel 3.41, eerste lid, onder a, van de IOV gewijzigd, aangezien daaraan de onderdelen 1 tot en met 4 zijn toegevoegd en ook de toelichting bij artikel 3.41 van de IOV is aangevuld met een passage over de zonneladder. De tekst van artikel 3.41, eerste lid, onder a van de IOV is dus wezenlijk anders komen te luiden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het college heeft gevolgd dat de tekst van artikel 3.41 van de IOV in de voorheen geldende versie van de IOV niet wezenlijk verschilt van de versie van de IOV die gold ten tijde van het besluit van 6 juli 2022.
8.5.    De Afdeling constateert dat het college blijkens het besluit van 6 juli 2022 niet heeft getoetst aan artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOV zoals dat gold ten tijde van het besluit van 6 juli 2022. Het college heeft in de aan zijn besluit ten grondslag liggende overwegingen alleen verwezen naar artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder a, uit de daarvóór geldende versie van de IOV, waarin de onderdelen 1-4 nog niet waren opgenomen. ZLTO en anderen betogen daarom terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 3.41, eerste lid, van de IOV zoals dat gold ten tijde van het besluit van 6 juli 2022.
8.6.    Voor zover het college zich op het standpunt heeft gesteld dat door te toetsen aan de "Visie zonneparken in Cranendonck 2019-2024" (hierna: de Visie zonneparken) in het besluit van 6 juli 2022 tevens is voldaan aan artikel 3.41, eerste lid, onder a van de IOV, overweegt de Afdeling dat in de Visie zonneparken de inhoud van de criteria genoemd in artikel 3.41, eerste lid, onder a, onderdelen 3 en 4 niet voorkomt. Weliswaar bevat de Visie zonneparken een onderbouwing van de behoefte aan 83 ha grondgebonden zonneparken in het buitengebied van de gemeente, maar, in tegenstelling tot wat het college heeft gesteld, zijn in de Visie zonneparken niet alle locaties in kaart gebracht die in deze behoefte kunnen voorzien. Met de verwijzing naar de Visie zonneparken heeft het college dus niet gemotiveerd waarom een zonnepark wordt toegestaan op een locatie binnen Landelijk gebied (de laatste trede), zonder eerst te kijken naar de vestiging van zonnepanelen door meervoudig ruimtegebruik in Landelijk gebied of binnen bestaand ruimtebeslag op bouwpercelen (trede 3) en op gronden aansluitend aan Stedelijk gebied (trede 4). De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1291, ovw. 14.3.
8.7.    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank niet onderkend dat het besluit van 6 juli 2022 in strijd is met artikel 3.41, eerste lid, van de IOV.
Het betoog slaagt.
Visie zonneparken; zonneladder
9.       ZLTO en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in strijd met de gemeentelijke Visie zonneparken de daarin opgenomen zonneladder niet goed is doorlopen. ZLTO en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college voldoende heeft onderbouwd dat het zonnepark niet in trede 4 van deze zonneladder valt.
ZLTO en anderen voeren hierover ten eerste aan dat het college het daarin opgenomen begrip "grootschalig enkelvoudig (productieve landbouwgrond)" niet juist heeft uitgelegd, omdat het college ten onrechte het opbrengend vermogen van de gronden bepalend heeft geacht voor de beantwoording van de vraag of de locatie als "grootschalig enkelvoudig" moet worden aangemerkt. ZLTO en anderen stellen dat het college ten onrechte de nadruk op de productiviteit van de landbouwgrond heeft gelegd in plaats van op het begrip "grootschalig enkelvoudig". Het projectgebied is volgens ZLTO en anderen zonder meer aan te merken als een grootschalig landbouwgebied, omdat het volgens hen één aaneengesloten landbouwgebied betreft met een uniforme karakteristiek. Ter onderbouwing hiervan wijzen ZLTO en anderen erop dat de gronden van het projectgebied als grootschalig agrarisch gebied zijn aangewezen in de "Structuurvisie 2024 Gemeente Cranendonck" (hierna de structuurvisie).
ZLTO en anderen voeren daarnaast aan dat het college zich op een ander standpunt stelt dan het in het besluit van 6 juli 2022 heeft gedaan, door in de beroepsprocedure bij de rechtbank te stellen dat het projectgebied gedeeltelijk de karakteristiek heeft van landbouwgrond als bedoeld in trede 4 van de zonneladder in plaats van minder efficiënte landbouwgrond als bedoeld in trede 3.
ZLTO en anderen voeren verder aan dat het college de gronden in het projectgebied ten onrechte als "minder efficiënte landbouwgrond" als bedoeld in trede 3 van de zonneladder heeft aangemerkt. Onder verwijzing naar kaarten van www.bodemdata.nl voeren ZLTO en anderen aan dat deze grotendeels van het type gooreerdgrond en het type veldpodzolgrond zijn, welke juist zeer bruikbare landbouwgronden van gemiddelde kwaliteit zijn. Ook voeren zijn aan dat ter verbetering van de kwaliteit van de gronden in het projectgebied diverse ontgrondingen hebben plaatsgevonden, een gedeelte van de gronden is gedraineerd en de bouwvoor is verdikt. ZLTO en anderen voeren daarnaast aan dat het college ten onrechte de aanwezigheid van plassen na een regenbui relevant heeft geacht voor de kwalificatie van de gronden als minder efficiënt, nu de incidentele aanwezigheid daarvan niets zegt over de kwaliteit van de landbouwgronden als zodanig. ZLTO en anderen betogen in dit verband dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat provinciale medewerkers hebben waargenomen dat soms "gedurende langere tijd" plassen op de gronden in het projectgebied blijven staan, omdat in de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning slechts is vermeld dat medewerkers van de gemeente en de provincie op basis van één bezoek aan de projectlocatie hebben geconstateerd dat plassen op de akkers bleven staan na een regenbui. ZLTO en anderen voeren ook aan dat de stelling in de ruimtelijke onderbouwing dat "slechts ongeveer de helft aan opbrengsten van de percelen zijn afgehaald", niet juist is. Als dat het geval zou zijn, dan zouden volgens ZLTO en anderen in 2022 geen dure teelten die een relatief hoge investering vergen zoals aardappelen, uien en bospeen in het projectgebied zijn opgestart.
9.1.    In de gemeente Cranendonck is de zonneladder opgenomen in de Visie zonneparken. Het uitgangspunt van deze zonneladder is dat eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid van zonnepanelen op daken, onbenutte bebouwde locaties of infrastructurele werken (trede 1 ‘no regret’). Vervolgens wordt gekeken naar grondgebonden zonnepanelen langs infrastructurele werken, industriële plassen en pauze landschappen zoals stortplaatsen (trede 2 ‘zorgvuldig inpassen’), of langs stads- of dorpsrand, minder efficiënte landbouwgrond, andere plassen, buffer rondom natuurgebieden en recreatiegebieden (trede 3 ‘combineren op gevoelige locaties’). De mogelijkheid van grondgebonden zonnepanelen op productieve landbouwgrond is de laatste trede (trede 4 ‘grootschalig enkelvoudig’).
9.2.    De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college voldoende heeft onderbouwd dat het zonnepark niet in trede 4 van de zonneladder in de Visie zonneparken valt. De Afdeling licht dat hieronder toe.
9.3.    De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt, ook niet desgevraagd op de zitting, welke uitleg het aan het begrip "grootschalig enkelvoudig" in trede 4 van de zonneladder heeft gegeven, terwijl ZLTO en anderen hebben onderbouwd dat het projectgebied volgens hen moet worden aangemerkt als een grootschalig enkelvoudig landbouwgebied. ZLTO en anderen hebben erop gewezen dat de gronden in het projectgebied in de gemeentelijke structuurvisie zijn aangewezen als een grootschalig agrarisch gebied, waar agrariërs de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen. Ook hebben zij naar voren gebracht dat de door Sunvest aangekochte landbouwgronden in het projectgebied een oppervlakte van ongeveer 76,5 ha hebben, waarvan zowel de omvang als ook de rechthoekige vorm er volgens hen op duidt dat sprake is van een grootschalig enkelvoudig gebied. Het college is niet concreet op dit betoog van ZLTO en anderen ingegaan.
9.4.    De Afdeling is verder van oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd met de Visie zonneparken de gronden in het projectgebied heeft ingedeeld onder een aanduiding die geen basis heeft in de zonneladder, namelijk door deze in het besluit van 6 juli 2022 aan te merken als gronden in "trede 3+". Het college heeft weliswaar toegelicht dat een deel van de gronden in het projectgebied in trede 3 en een ander deel mogelijk in trede 4 valt, maar voor het gedeeltelijk toestaan van het zonnepark op gronden in trede 4 is in het besluit van 6 juli 2022 geen motivering gegeven. Het college heeft ook niet inzichtelijk gemaakt hoe is bepaald welke gronden in trede 3 en welke in trede 4 vallen, wat de omvang van deze te onderscheiden gronden is en hoe deze zich in het projectgebied tot elkaar verhouden.
9.5.    De Afdeling is verder van oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat de gronden in het projectgebied kwalificeren als "minder efficiënte landbouwgronden" als bedoeld in trede 3 van de zonneladder. ZLTO en anderen hebben gemotiveerd uiteengezet dat een groot deel van de landbouwgronden in het projectgebied bruikbare landbouwgronden van gemiddelde kwaliteit zijn en dat ter verbetering van de kwaliteit daarvan een gedeelte is gedraineerd en de bouwvoor is verdikt. Het college heeft daar in het besluit van 6 juli 2022 onvoldoende tegenover gesteld. Het college heeft weliswaar gemotiveerd dat de landbouwgrond in het gebied van mindere kwaliteit is, omdat de dunne toplaag van de bodem snel uitdroogt, de daaronder gelegen leemlaag het water juist slecht afvoert, en dat de percelen een matige opbrengst hebben, maar het college heeft deze motivering niet met objectieve en controleerbare gegevens ondersteund. Hoewel het college heeft gemotiveerd dat medewerkers van de gemeente en de provincie tijdens een bezoek aan het projectgebied een grote hoeveelheid plassen op de akkers hebben waargenomen, is ook deze motivering niet objectief onderbouwd met gegevens uit bijvoorbeeld een opgesteld onderzoeksverslag van dit bezoek aan het projectgebied. ZLTO en anderen betogen in dit verband ook terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat deze medewerkers hebben waargenomen dat "gedurende langere tijd" plassen op de gronden in het projectgebied blijven staan, omdat uit de ruimtelijke onderbouwing alleen volgt dat medewerkers van de gemeente en de provincie op basis van één bezoek aan de projectlocatie hebben geconstateerd dat plassen op de akkers bleven staan na een regenbui. Daaruit is dus niet af te leiden dat "gedurende langere tijd" plassen op de gronden in het projectgebied zijn blijven staan. Voor zover het college op de zitting nog heeft verwezen naar het memo "Impact waterhuishoudkundige maatregelen zonnepark Aardbrandsven" van 9 maart 2022, opgesteld door waterschap De Dommel (hierna: het memo van het waterschap), overweegt de Afdeling dat hierin alleen is ingegaan op de effecten van de waterhuishoudkundige inrichting van het zonnepark op gronden in en rondom het projectgebied, maar niet op de kwaliteit van de landbouwgronden in het projectgebied als zodanig. Met de inhoud van het memo van het waterschap heeft het college dan ook niet onderbouwd dat de gronden in het projectgebied zijn aan te merken als "minder efficiënte landbouwgronden" als bedoeld in trede 3 van de zonneladder.
9.6.    Gelet op het voorgaande heeft het college naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd waarom het vergunde zonnepark niet in trede 4 van de zonneladder in de Visie zonneparken valt. De rechtbank heeft aldus niet onderkend dat het besluit van 6 juli 2022 in zoverre in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd.
Het betoog slaagt.
Visie zonneparken; landbouwstructuur
10.     ZLTO en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte hun betoog dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het zonnepark niet zal leiden tot een verslechtering van de landbouwstructuur als bedoeld in paragraaf 5.1.3 van de Visie zonneparken, niet heeft gevolgd. Volgens ZLTO en anderen is sprake van een verslechtering van de landbouwstructuur en heeft het college ten onrechte de mogelijkheden voor kavelruil niet bezien. ZLTO en anderen voeren aan dat een aantal agrarische bedrijfslocaties gelegen direct rondom het projectgebied, te weten de locaties aan de [locatie 1], [locatie 2]-[locatie 3] en [locatie 4], een groot deel van hun landbouwgronden in het projectgebied hebben verkocht aan Sunvest, waardoor deze locaties volgens ZLTO en anderen afhankelijk zullen worden van verder weg gelegen gronden. Dit zal volgens hen leiden tot een versnippering van het grondgebruik en een forse toename van de transportafstanden, en daarmee tot een verslechtering van de landbouwstructuur.
10.1.  In paragraaf 5.1.3 van de Visie zonneparken staat:
"Wanneer de ontwikkeling van een zonnepark een verslechtering van de landbouwstructuur betekent, dan moet worden gekeken naar de mogelijkheden voor kavelruil".
10.2.  ZLTO en anderen betogen terecht dat de rechtbank ten onrechte hun betoog dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het vergunde zonnepark niet zal leiden tot een verslechtering van de landbouwstructuur als bedoeld in de Visie zonneparken, niet heeft gevolgd. Het college heeft blijkens het besluit van 6 juli 2022 alleen gemotiveerd wat de gevolgen van het zonnepark voor de bodemkwaliteit van de gronden in het projectgebied zullen zijn. Daarmee heeft het college naar het oordeel van de Afdeling een te beperkte uitleg gegeven aan het begrip "een verslechtering van de landbouwstructuur", omdat het college in dat kader niet heeft bezien welke gevolgen de afsplitsing van landbouwgronden van de door ZLTO en anderen genoemde agrarische bedrijfslocaties rondom het projectgebied kunnen hebben voor de landbouwstructuur in het gebied.
Voor zover het college heeft gesteld dat het zonnepark niet zal leiden tot een verslechtering van de landbouwstructuur omdat het projectgebied is gelegen in een extensiveringsgebied waar reeds vergaande beperkingen voor veehouderijen gelden, overweegt de Afdeling dat deze stelling van het college onjuist is, alleen al omdat het projectgebied niet is gelegen in een extensiveringsgebied als bedoeld in de IOV.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling niet onderkend dat het besluit van 6 juli 2022 in zoverre in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd.
Het betoog slaagt.
Visie zonneparken; financiële participatie
11.     ZLTO en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de omgevingsvergunning niet in strijd is met de voorwaarde van financiële participatie als bedoeld in de Visie zonneparken. ZLTO en anderen voeren hierover aan dat de rechtbank ten onrechte op basis van de anterieure overeenkomst heeft geoordeeld dat voldoende inzicht is geboden in de wijze waarop wordt voldaan aan de in paragraaf 5.3.2 van de Visie zonneparken vervatte eis dat 50% van het project in eigendom van de lokale omgeving is. ZLTO en anderen voeren ook aan dat ten tijde van het besluit van 6 juli 2022 al duidelijk was dat niet aan deze eis zou worden voldaan. Zij wijzen in dit verband op de ontheffingsmogelijkheid in de statuten van Energie Coöperatie Heidezon U.A. (hierna: EC Heidezon), op grond waarvan oprichter Innax Solar B.V. ontheffing kan verlenen van het vereiste dat leden van de coöperatie in Cranendonck moeten wonen of daar gevestigd moeten zijn. Daarom was op voorhand duidelijk dat de financiële inbreng van EC Heidezon in het zonnepark niet alleen lokaal zou zijn, aldus ZLTO en anderen.
11.1.  Zonnepark Aardbrandsven B.V. heeft zich op het standpunt gesteld dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een bespreking van deze hogerberoepsgrond van ZLTO en anderen.
Relativiteit
11.2.  Artikel 8:69a van de Awb luidt:
"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept".
11.3.  Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
11.4.  De Afdeling stelt vast dat in paragraaf 5.3.2 van de Visie zonneparken beleid is opgenomen over financiële participatie bij een zonnepark. Dit beleid is erop gericht dat burgers en bedrijven in de gemeente Cranendonck financieel participeren bij opwekking van duurzame energie op land, onder meer, zo volgt uit het beleid, ter compensatie van mogelijke overlast van een zonnepark. Daarmee wordt invulling gegeven aan de norm dat een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo. [appellant sub 2], namens wie, naast ZLTO Groote Heide, [appellant sub 1A] en [appellant sub 1C], het beroep van ZLTO en anderen is ingediend, komt op voor het belang bij het gevrijwaard blijven van mogelijke overlast van het zonnepark. Daarmee beroept hij zich op de norm van een goede ruimtelijke ordening die mede betrekking heeft op dit belang. Aangezien [appellant sub 2] op ongeveer 100 m van het projectgebied woont, kan niet worden geoordeeld dat deze norm kennelijk niet strekt tot bescherming van zijn belangen. Het relativiteitsvereiste staat daarom niet aan een inhoudelijke beoordeling van deze hogerberoepsgrond in de weg.
Omdat aan [appellant sub 2] in ieder geval niet het relativiteitsvereiste kan worden tegengeworpen, ziet de Afdeling geen aanleiding hier voor ZLTO Groote Heide, [appellant sub 1A] en [appellant sub 1C] op in te gaan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1234). Dit betekent dat de hogerberoepsgrond van ZLTO en anderen inhoudelijk moet worden beoordeeld.
Inhoudelijk
11.5.  De Afdeling overweegt dat in paragraaf 5 van de Visie zonneparken staat dat zonneparken een aantoonbare maatschappelijke meerwaarde voor Cranendonck moeten hebben. Dit wordt onderbouwd vanuit een aantal criteria, waaronder de bijdrage die wordt geleverd aan maatschappelijke doelen. Daarvoor wordt onder meer verwezen naar paragraaf 5.3.2 "Financiële participatie", waarin, onder verwijzing naar de afspraken in het Klimaatakkoord over lokale participatie bij opwekking van duurzame energie op land, is opgenomen dat de gemeente Cranendonck het streven naar 50% eigendom van de productie van de lokale omgeving als een minimale eis heeft overgenomen (hierna: de 50%-eis). Uit paragraaf 5.3.2 volgt ook dat de initiatiefnemer van een zonnepark bij de aanvraag moet onderbouwen hoe die eis naar redelijkheid en billijkheid wordt ingevuld, maar niet op voorhand wordt verplicht tot een bepaalde manier van invulling.
11.6.  De Afdeling stelt vast dat Zonnepark Aardbrandsven invulling heeft gegeven aan de 50%-eis middels het "Participatieplan Zonnepark Aardbrandsven" van juni 2021. Daarin is onder meer vermeld dat de volledig zelfstandige coöperatie EC Heidezon is opgericht die zal worden bestuurd door onafhankelijke personen uit de buurt en de gemeente en die 50% van de aandelen tijdens het ontwikkeltraject van het zonnepark houdt. Zonnepark Aardbrandsven heeft toegelicht dat afspraken zijn gemaakt met de gemeente om aan de 50%-eis te voldoen. Als die eis niet volledig wordt gehaald, dan zal Zonnepark Aardbrandsven naar rato een vergoeding moeten afdragen aan het gebiedsfonds ten behoeve van de verduurzaming in Cranendonck, welke afspraken volgens Zonnepark Aardbrandsven zijn geborgd in de anterieure overeenkomst.
11.7.  De afspraken over de invulling van de 50%-eis door Zonnepark Aardbrandsven zijn opgenomen in voorschrift 7 bij de omgevingsvergunning voor de activiteit "afwijken van het bestemmingsplan". In dit voorschrift is opgenomen dat een nieuwe energiecoöperatie wordt opgericht welke meedeelt in opbrengsten uit het zonnepark, en dat de verhouding tussen initiatiefnemer en energiecoöperatie, het delen van opbrengsten en de zeggenschap zijn geborgd. Ook is daarin opgenomen dat afspraken dienen te worden uitgevoerd conform het document "3_B2_1_210930_Financiele participatie", welke als bijlage is opgenomen bij de anterieure overeenkomst.
11.8.  Naar het oordeel van de Afdeling betogen ZLTO en anderen terecht dat de rechtbank ten onrechte mede op basis van de anterieure overeenkomst heeft geoordeeld dat het college voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe aan de 50%-eis in paragraaf 5.3.2 van de Visie zonneparken wordt voldaan. De bijlagen bij de anterieure overeenkomst en dus ook het in voorschrift 7 geciteerde document over financiële participatie, maken immers geen deel uit van het besluit van 6 juli 2022. Met de enkele verwijzing naar de inhoud van dit document heeft het college aldus onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze wordt voldaan aan de 50%-eis. Op dit punt is het besluit van 6 juli 2022 daarom in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb niet deugdelijk gemotiveerd.
Het betoog slaagt reeds hierom.
Tijdelijkheid
12.     ZLTO en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vóór verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand na afloop van de daaraan verbonden termijn van 25 jaar niet kan worden hersteld. ZLTO en anderen voeren hierover aan dat het feitelijk niet mogelijk en aannemelijk is dat de landschappelijke inpassing zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. Zij wijzen erop dat de doelstellingen van het bij het besluit behorende "Landschappelijk inpassing zonnepark ‘Aardbrandsven’ te Cranendonck" van 7 oktober 2021 (hierna: het landschappelijk inpassingsplan), waartoe ook de ontwikkeling van habitat voor beschermde diersoorten behoort, tegenstrijdig zijn met het tijdelijke karakter van de verleende omgevingsvergunning. ZLTO en anderen wijzen er voorts op dat de gemeente voorafgaand aan de vergunningverlening al heeft vastgelegd, onder meer in de anterieure overeenkomst, dat wordt gestreefd naar het behoud van de te ontwikkelen natuur in het projectgebied.
12.1.  Artikel 3.41, derde lid, van de IOV luidt:
"Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:
a. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt;
b. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd;
c. voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld".
12.2.  De Afdeling ziet in wat ZLTO en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de bestaande toestand na afloop van de aan de omgevingsvergunning verbonden termijn van 25 jaar niet kan worden hersteld. De Afdeling betrekt daarbij dat ZLTO en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat het terugbrengen van de gronden van het projectgebied naar de oorspronkelijke situatie feitelijk niet mogelijk zal zijn. Voor zover ZLTO en anderen naar voren hebben gebracht dat gemeente voorafgaand aan de vergunningverlening al heeft vastgelegd dat wordt gestreefd naar het behoud van de te ontwikkelen natuur in het projectgebied, overweegt de Afdeling dat dit er op zichzelf niet aan in de weg staat dat de gronden in het projectgebied na afloop van de duur van de omgevingsvergunning feitelijk naar de oorspronkelijke situatie kunnen worden teruggebracht.
Het betoog slaagt niet.
Landschappelijke inpassing
13.     Op de zitting hebben ZLTO en anderen hun beroepsgrond over de mate van concretisering van het landschappelijk inpassingsplan, ingetrokken.
14.     ZLTO en anderen en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het zonnepark niet zal leiden tot wateroverlast op rondom het projectgebied gelegen percelen. ZLTO en anderen vrezen dat de voorziene vernatting aan de noordzijde van het projectgebied en de verhoging van het waterpeil middels de bestaande schottenbalkstuw "235" in de daaraan grenzende bestaande kavelsloot "GA30" nadelige effecten zullen hebben op landbouwgronden van [appellant sub 2] en [appellant sub 1A] ten noorden en noordwesten van het projectgebied. ZLTO en anderen voeren aan dat het landschappelijk inpassingsplan en het memo van het waterschap op dit punt onvoldoende duidelijk zijn, omdat daarin twee verschillende inrichtingen van de waterhuishouding in het projectgebied zijn beschreven. In het landschappelijk inpassingsplan is uitgegaan van een verhoging van het waterpeil in kavelsloot "GA30", terwijl uit het memo volgt dat geen aanpassingen worden uitgevoerd aan bestaande A-watergangen of de stuwen die erin staan, zo brengen ZLTO en anderen naar voren.
14.1.  ZLTO en anderen en [appellant sub 2] betogen tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het zonnepark niet zal leiden tot wateroverlast op de rondom het projectgebied gelegen percelen, te weten de landbouwgronden van [appellant sub 2] en [appellant sub 1A] ten noorden en noordwesten van het projectgebied. Wat ZLTO en anderen en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het landschappelijk inpassingsplan en het memo van het waterschap op het punt van het waterpeil in kavelsloot "GA30" onvoldoende duidelijk zijn. Anders dan ZLTO en anderen en [appellant sub 2] veronderstellen, wordt in het landschappelijk inpassingsplan niet uitgegaan van een verhoging van het waterpeil in kavelsloot "GA30". Daarin staat alleen dat op de plaats waar deze kavelsloot in de Boschloop uitmondt, een bestaande schotbalkstuw (235) aanwezig is die ook de maximale hoogte van het waterpeil bepaalt in de met de omgevingsvergunning voorziene natuurstrook. Daaruit valt dus niet af te leiden dat het waterpeil in deze kavelsloot wordt verhoogd. Overigens is in het memo van het waterschap geconcludeerd dat buiten het projectgebied geen verhoging van de grondwaterstand zal optreden.
De betogen slagen niet.
Uitzicht
15.     [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het zonnepark zal leiden tot een aantasting van zijn vrije uitzicht. [appellant sub 2] voert aan dat de in het landschappelijk inpassingsplan voorgestelde maatregel over de aanplant van riet rondom het zonnepark er niet toe zal leiden dat de voorziene zonnepanelen vanuit zijn perceel aan het zicht worden onttrokken. De maatregelen in het landschappelijk inpassingsplan zijn volgens [appellant sub 2] niet concreet genoeg, omdat de locatie, het soort riet en de breedte van de rietkraag daarin niet zijn weergegeven. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat het college zich in zoverre op het landschappelijk inpassingsplan mocht baseren, zo betoogt [appellant sub 2].
15.1.  Op pagina 10 van het landschappelijk inpassingsplan staat: "De westzijde van het zonnepark wordt aan het zicht onttrokken door de brede bestaande bossingel langs de Boschloop, welke wordt doorgezet tot aan de dwarssloot naar het Aardbrandsven. Om deze in de winter open singel te verdichten wordt riet aangeplant in de grensgreppel aan de parkzijde".
Op pagina 21 staat: "Aan de parkzijde van de bosrand wordt in een greppel riet geplant als afscherming van het park in de tijd dat het bosplantsoen zich nog ontwikkeld. Dit wordt ook aan de parkzijde van de bestaande bossingel gedaan om het park af te schermen tot de bossingel door verjonging en verdichting weer gesloten raakt".
15.2.  De Afdeling stelt vast dat de afstand tussen de woning van [appellant sub 2] en het projectgebied ongeveer 100 m is. Tussen het beoogde zonnepark en de woning van [appellant sub 2] bevindt zich onder meer een reeds bestaande bossingel langs de Boschloop, parallel aan de westzijde van het zonnepark. Uit het landschappelijk inpassingsplan volgt dat de westzijde van het voorziene zonnepark aan het zicht wordt onttrokken door deze bossingel. Hieruit kan worden afgeleid dat het zicht vanuit de woning van [appellant sub 2] op het projectgebied in de bestaande situatie al beperkt is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat met de aanleg van het zonnepark dit uitzicht niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. De Afdeling betrekt hierbij dat geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht en uit het landschappelijk inpassingsplan volgt dat ter afscherming van het zonnepark riet zal worden aangeplant in de greppel van de bosstrook aan de westzijde van het zonnepark. Voor zover [appellant sub 2] heeft aangevoerd dat deze maatregel voor de aanplant van riet onvoldoende concreet is omschreven, overweegt de Afdeling dat in het landschappelijk inpassingsplan een dwarsprofiel (aangeduid als "Profiel A") van de toekomstige inrichting van de bosstrook aan de westzijde van het zonnepark is opgenomen, waarin naast de bestaande bosstrook ook de beoogde locatie en hoogte van de rietkraag is aangegeven. Naar het oordeel van de Afdeling is deze maatregel voldoende concreet gemaakt. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich in zoverre op het landschappelijk inpassingsplan mocht baseren.
Het betoog slaagt niet.
Niet besproken beroepsgrond
16.     [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn na afloop van de beroepstermijn aangevoerde beroepsgrond niet heeft besproken. Hierover voert hij aan dat in strijd met artikel 11, eerste lid, Besluit uitvoering Chw, in de bekendmaking van het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning niet is vermeld dat de Chw van toepassing is. De rechtbank heeft hem daarom ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld deze nadere beroepsgrond in te dienen.
16.1.  De Afdeling heeft op de zitting vastgesteld dat [appellant sub 2] na afloop van de beroepstermijn de beroepsgrond heeft aangevoerd dat in strijd met de Visie zonneparken geen zorgvuldige en transparante selectieprocedure voor de realisatie van het zonnepark heeft plaatsgevonden, wat er volgens hem toe heeft geleid dat ten onrechte geen voorrang is gegeven aan zijn eigen plan voor de aanleg van een kleinschalig zonnepark in de gemeente.
16.2.  Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank ten onrechte deze beroepsgrond wegens strijd met artikel 1.6a van de Chw buiten beschouwing gelaten. [appellant sub 2] betoogt namelijk terecht dat bij het besluit van 6 juli 2022 en de bekendmaking daarvan niet is vermeld dat de Chw van toepassing is en dat beroepsgronden na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld, zoals artikel 11 van Pro het Besluit uitvoering Chw voorschrijft. In beginsel kan aan een belanghebbende dan niet worden tegengeworpen dat hij de gronden van het beroep niet binnen de beroepstermijn heeft aangevoerd. Dit is slechts anders indien aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins wist of kon weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden kunnen worden aangevoerd. Er zijn geen aanwijzingen om ervan uit te gaan dat die situatie zich hier voordoet en artikel 1.6a van de Chw aan [appellant sub 2] kan worden tegengeworpen. De Afdeling ziet daarom aanleiding deze beroepsgrond van [appellant sub 2] hierna alsnog te bespreken.
16.3.  De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 2] zo, dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de processtappen in hoofdstuk 6 in de Visie zonneparken ten aanzien van het voorliggende zonnepark "Aardbandsven" zijn doorlopen. Deze processtappen luiden als volgt:
"1. De initiatiefnemer stelt een onderbouwing op waaruit blijkt dat het initiatief aan de eisen uit het afwegingskader voor zonneparken voldoet. […]
2. De initiatiefnemer gaat in overleg met de gemeente over de beoogde locatie. De initiatiefnemer dient de onderbouwing van het afwegingskader bij het gesprek te kunnen overleggen. De omgeving en andere belanghebbenden van het initiatief moeten hierbij betrokken zijn en de initiatiefnemer moet in het gesprek aangeven hoe dit gebeurd is.
3. De initiatiefnemer werkt het plan verder uit tot een principeverzoek. De omgeving en andere belanghebbenden van het initiatief moeten hierbij betrokken zijn en de initiatiefnemer moet in het principeverzoek aangeven hoe dit gebeurd is.
4. Het principeverzoek wordt behandeld in de regiekamer. De regiekamer toets het principeverzoek aan het beleid.
5. Het college neemt besluit op het principeverzoek.
6. Na een positief principebesluit kan de initiatiefnemer de aanvraag voor de ruimtelijke procedure indienen".
16.4.  De Afdeling stelt vast dat in het besluit van 6 juli 2022 is vermeld dat voorafgaand aan de besluitvorming een ambtelijke selectie is gemaakt van vier uit in totaal tien ingediende initiatieven voor de realisatie van een zonnepark binnen de gemeente. Het college heeft desgevraagd op de zitting toegelicht dat de zogenoemde regiekamer als bedoeld in de vierde stap van de hiervoor weergegeven processtappen de ingediende initiatieven geclusterd heeft behandeld en heeft getoetst aan gemeentelijk beleid, waarna daaruit onder meer het zonnepark "Aardbrandsven" is geselecteerd.
16.5.  Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college hiermee niet voldoende deugdelijk gemotiveerd op welke wijze de processtappen als bedoeld in de Visie zonneparken zijn doorlopen. Weliswaar heeft het college  toegelicht dat de regiekamer een clustering en een selectie van ingediende initiatieven heeft gemaakt, maar daarmee heeft het college niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze de selectie tot stand is gekomen, volgens welke criteria de ingediende initiatieven zijn beoordeeld en hoe deze criteria door de regiekamer zijn toegepast. Op dit punt is het besluit van 6 juli 2022 in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb niet deugdelijk gemotiveerd.
Het betoog slaagt.
Conclusie en nader besluit
17.     De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van ZLTO en anderen en [appellant sub 2] bij de rechtbank gegrond verklaren en het besluit van 6 juli 2022 vernietigen vanwege strijd met de artikelen 3:11 en 3:46 van de Awb, de rechtszekerheid, en artikel 3.41, eerste lid, van de IOV. Het college moet een nieuw besluit op de aanvraag nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.
18.     Bij het besluit van 9 september 2025, dus op zeer korte termijn voor de zitting bij de Afdeling, heeft het college de omgevingsvergunning voor de aanleg van het zonnepark opnieuw, gewijzigd verleend. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van Pro de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. De Afdeling zal wat ZLTO en anderen en [appellant sub 2] in hoger beroep naar voren hebben gebracht tevens aanmerken als de gronden van het beroep van rechtswege tegen het besluit van 9 september 2025.
18.1.  De Afdeling constateert dat het besluit van 6 juli 2022 bij besluit van 9 september 2025 op de punten waar de Afdeling de hiervoor genoemde gebreken heeft gezien, niet is gewijzigd. Dit betekent dat dezelfde gebreken ook aan het besluit van 9 september 2025 kleven. Alleen al daarom komt ook dit besluit voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling overweegt hierbij dat, aangezien dit besluit eerst kort voor de zitting is bekendgemaakt en partijen zich daarover niet in voldoende mate hebben kunnen uitlaten, zij geen oordeel geeft over de wijzigingen in dit besluit ten opzichte van het besluit van 6 juli 2022.
Proceskosten
19.     Het college moet de proceskosten van ZLTO en anderen en [appellant sub 2] in beroep en hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart de hoger beroepen van ZLTO Groote Heide, [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost­Brabant van 6 april 2023 in zaak nrs. 22/1906 en 22/1910;
III.      verklaart de beroepen van ZLTO Groote Heide, [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] en [appellant sub 2A]en [appellant sub 2B] tegen het besluit van 6 juli 2022 van het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck, kenmerk 1336523 gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van 6 juli 2022 van het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck, kenmerk 1336523;
V.       verklaart de van rechtswege ontstane beroepen van ZLTO Groote Heide, [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van 9 september 2025 van het college van burgermeester en wethouders van Cranendonck, kenmerk 1336523 gegrond;
VI.      vernietigt het besluit van 9 september 2025 van het college van burgermeester en wethouders van Cranendonck, kenmerk 1336523;
VII.     veroordeelt het college van burgermeester en wethouders van Cranendonck tot vergoeding van:
- bij ZLTO Groote Heide, [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,45, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
VIII.    gelast dat het college van burgermeester en wethouders van Cranendonck aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen en hoger beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van
- € 913,00 voor ZLTO Groote Heide, [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- € 458,00 voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.T. Schipper, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026
1075
BIJLAGE
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (geldend tussen 23 november 2021 en 14 april 2022)
Artikel 3.41 Zonne-parken in Landelijk gebied
1. Binnen Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als:
a. uit onderzoek blijkt dat de capaciteit voor het opwekken van duurzame energie in Stedelijk gebied, op bestaande bouwpercelen en rekening houdend met de ontwikkelingsmogelijkheden van windenergie onvoldoende is.
[…]
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (geldend tussen 15 april 2022 en 20 maart 2023)
Artikel 3.41 Zonne-parken in Landelijk gebied
1. Binnen Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als:
a. uit onderzoek blijkt dat de aanleg van het zonnepark noodzakelijk is omdat in onvoldoende mate voorzien kan worden in de behoefte voor duurzame energie:
1. door de ontwikkeling van andere vormen van duurzame energie;
2. binnen Stedelijk gebied;
3. door meervoudig ruimtegebruik in Landelijk gebied of binnen bestaand ruimtebeslag op bouwpercelen; en
4. op gronden aansluitend op Stedelijk gebied.
[…]