ECLI:NL:RVS:2026:195

Raad van State

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
202407637/1/V6
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot overkomst naar Nederland van Afghaanse bewaker van de Nederlandse krijgsmacht

In deze zaak heeft de Raad van State op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep van een Afghaanse appellant die verzocht om zijn overkomst naar Nederland te faciliteren. De minister van Buitenlandse Zaken had op 24 april 2023 het verzoek van de appellant afgewezen, omdat hij niet onder de speciale voorziening viel die op 11 oktober 2021 was getroffen. De appellant, die van 2008 tot 2010 als bewaker voor de Nederlandse krijgsmacht in Afghanistan had gewerkt, had zijn verzoek pas op 2 december 2022 ingediend. De minister baseerde zijn afwijzing op het feit dat de appellant niet in de database van het ministerie van Defensie voorkwam en dat hij zich te laat had gemeld voor de speciale voorziening. De rechtbank Den Haag had de afwijzing van de minister in een eerdere uitspraak op 5 november 2024 bevestigd, wat leidde tot het hoger beroep bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat de minister in redelijkheid het verzoek had kunnen afwijzen. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de appellant niet binnen het bereik van de speciale voorziening viel, omdat hij zich pas na de gestelde einddatum had gemeld. De Raad van State bevestigde dat de minister niet verplicht was om de appellant te horen in de bezwaarfase, aangezien er geen redelijke twijfel bestond dat het bezwaar niet zou leiden tot een ander besluit. De toezegging van de minister van Defensie om de situatie van ASG-bewakers opnieuw te bekijken, had geen invloed op deze zaak, omdat deze toezegging betrekking had op een andere regeling. De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

202407637/1/V6.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 november 2024 in zaak nr. 23/7302 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
Bij besluit van 24 april 2023 heeft de minister een verzoek van [appellant] om op enige wijze zijn overkomst naar Nederland te faciliteren (hierna: het verzoek), afgewezen.
Bij besluit van 22 september 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.A.L. van de Glind, advocaat in Heerlen, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft partijen uitgenodigd voor een zitting op 11 december 2025. Partijen zijn daar met voorafgaand bericht niet verschenen.
Overwegingen
1.       [appellant] heeft de Afghaanse nationaliteit. Op 2 december 2022 heeft hij de minister gevraagd om hem en zijn gezin naar Nederland over te brengen. [appellant] stelt dat hij van 2008 tot 2010 heeft gewerkt als bewaker van Afghan Security Guard (hierna: ASG) voor de Nederlandse krijgsmacht in Uruzgan, Afghanistan.
1.1.    De minister heeft het verzoek afgewezen, omdat [appellant] niet valt onder de bij de brief van 11 oktober 2021 getroffen speciale voorziening (Kamerstukken II 2021/22, 27 925, nr. 860). De minister heeft hiervoor als reden gegeven dat [appellant] niet voorkomt in de database van het ministerie van Defensie met meldingen van Nederlandse veteranen en hulpverzoeken die uiterlijk 11 oktober 2021 zijn gedaan. De minister heeft niet beoordeeld of [appellant] daadwerkelijk als bewaker van ASG heeft gewerkt voor de Nederlandse krijgsmacht.
Uitspraak van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het verzoek in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Zij heeft daarbij overwogen dat [appellant] niet binnen het bereik van de speciale voorziening valt, omdat hij zich pas op 2 december 2022 met een verzoek tot overbrenging heeft gemeld. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister niet onzorgvuldig heeft gehandeld door het verzoek af te wijzen, alleen omdat [appellant] zich na 11 oktober 2021 heeft gemeld.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister de hoorplicht in de bezwaarfase niet heeft geschonden. De rechtbank heeft overwogen dat de minister op basis van het bezwaarschrift buiten redelijke twijfel heeft kunnen concluderen dat [appellant] niet voldoet aan de criteria van de speciale voorziening. Ook heeft zij overwogen dat de omstandigheid dat er politieke discussie bestaat over de situatie van Afghaanse bewakers en dat de minister van Defensie heeft toegezegd om de situatie van ASG-bewakers nogmaals tegen het licht te houden, dit oordeel niet anders maakt. Volgens de rechtbank kan de toezegging van de minister van Defensie geen rol spelen in deze zaak, omdat de toezegging gaat over een uitbreiding van de zogenaamde Tolkenregeling en niet over de speciale voorziening waar [appellant] een beroep op doet.
Afbakening van de speciale voorziening
3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet binnen het bereik van de speciale voorziening valt, omdat hij zich pas op 2 december 2022 met een verzoek tot overbrenging heeft gemeld. Hij voert aan dat de rechtbank er onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat hij zich niet eerder kon melden. Hij was al voor 11 oktober 2021 ondergedoken en wist niet dat hij zich tijdig moest melden bij de Nederlandse autoriteiten. Hij is de Nederlandse taal niet machtig. Ook voert hij aan dat hij zich direct heeft gemeld toen hij bekend was geraakt met de speciale voorziening.
3.1.    Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2160, onder 2.2, volgt dat de minister zich in het kader van de speciale voorziening terecht beroept op het belang van een duidelijke afbakening, die hanteerbaar en eindig is. Gelet hierop is het stellen van een einddatum voor het doen van een melding of hulpverzoek niet onevenredig. Ook volgt uit deze uitspraak dat met de speciale voorziening geen regeling is getroffen waarvoor iemand zich kan aanmelden. De Afdeling wijst ook op haar uitspraak van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4289, onder 5.1. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] om deze reden niet valt onder de speciale voorziening. De minister hoefde dus niet te beoordelen of [appellant] daadwerkelijk als ASG-bewaker heeft gewerkt voor de Nederlandse krijgsmacht.
3.2.    Het betoog slaagt niet.
Hoorplicht
4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister de hoorplicht in de bezwaarfase niet heeft geschonden, omdat het bezwaar niet kennelijk ongegrond was. De minister heeft namelijk niet deugdelijk gemotiveerd dat [appellant] niet voldoet aan de criteria van de speciale voorziening. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het alleen het ministerie van Defensie was die een toezegging had gedaan om de situatie van de ASG-bewakers nogmaals te bekijken. Volgens [appellant] was dit een samenwerking tussen de ministeries van Defensie, Buitenlandse Zaken en Justitie en Veiligheid. Ook betoogt hij dat hij geen kennis had van het Nederlandse rechtssysteem en van zijn rechten en plichten.
Tot slot betoogt hij dat de minister in het besluit van 24 april 2023 niet heeft vermeld dat het verzoek kennelijk ongegrond is, terwijl de minister hem hier wel van op de hoogte had moeten stellen. Ook had de minister [appellant] de mogelijkheid moeten geven om het verzoek mondeling toe te lichten.
4.1.    De minister mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een ander standpunt. Zoals de Afdeling hiervoor onder 3.1 heeft overwogen, mocht de minister 11 oktober 2021 als einddatum gebruiken voor het doen van hulpverzoeken. [appellant] heeft het verzoek gedaan na de door de minister gestelde einddatum. Gelet daarop en op wat [appellant] in bezwaar tegen het besluit van 24 april 2023 heeft aangevoerd, was er redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk dat het bezwaar niet zou leiden tot een ander besluit. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de minister [appellant] niet heeft hoeven horen in bezwaar.
De verwijzing van [appellant] naar de toezegging van de minister van Defensie maakt dit oordeel niet anders. De minister van Defensie heeft in een brief van 19 december 2023 (Kamerstukken II 2023/24, 27 925, nr. 961) toegezegd om aanvragen van ASG-bewakers opnieuw te beoordelen. Deze brief dateert echter van na het besluit van 22 september 2023. Ook gaat de brief over een aanvulling op de Tolkenregeling. Deze regeling heeft een andere strekking dan de speciale voorziening waar [appellant] een beroep op doet. De minister kon deze brief dus niet meenemen in zijn heroverweging.
4.2.    Verder overweegt de Afdeling dat de minister [appellant] niet de mogelijkheid hoefde te geven om het verzoek mondeling toe te lichten. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:7 van de Awb (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 98-99), beoogt deze bepaling alleen te waarborgen dat het bestuursorgaan van de juiste gegevens uitgaat bij het nemen van een besluit. De bepaling bevordert een zorgvuldige voorbereiding van een besluit en gaat dus niet zozeer over het bieden van rechtsbescherming aan de aanvrager. Deze bepaling heeft dus niet de strekking dat de minister [appellant] voorafgaand aan het besluit van 24 april 2023 had moeten horen.
4.3.    Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.E. de Ruijter, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Ruijter
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
887-1174