ECLI:NL:RVS:2026:1975
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende onderzoek risico vervolging
Appellant diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 23 april 2025 werd afgewezen. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing op 20 juni 2025 ongegrond. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde op 9 april 2026 dat de rechtbank onvoldoende had onderzocht of appellant, vanwege zijn afvalligheid, een gegronde vrees voor vervolging in Iran heeft. Uit recente landeninformatie bleek dat de situatie van afvalligen en atheïsten in Iran niet eenduidig is, waardoor de minister niet zonder nader onderzoek kon concluderen dat er geen risico op vervolging bestaat.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en het besluit van de minister. De minister moet een nieuw besluit nemen waarbij rekening wordt gehouden met de actuele feiten en omstandigheden. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van de minister tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit.